ECLI:NL:RBNNE:2025:4783

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/18/25/283 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en vaststelling van de ingangsdatum

In deze zaak heeft verzoekster, wonende te [woonplaats], een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Het verzoek is behandeld op 17 september 2025, waarbij verzoekster en haar schuldhulpverlener aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster in een toestand verkeert waarin zij heeft opgehouden te betalen, en dat zij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Ondanks deze constatering heeft de rechtbank op basis van de hardheidsclausule besloten het verzoek toe te wijzen, omdat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de oorzaken van haar schulden onder controle zijn. De rechtbank heeft de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op 24 juni 2025, drie maanden voor de uitspraak, en de termijn van de regeling op 18 maanden, eindigend op 24 december 2026. Tevens is mr. M.C. Groenewegen benoemd tot rechter-commissaris en is de bewindvoerder belast met het openen van aan de schuldenares gerichte correspondentie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/283 R

vonnis van 24 september 2025

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 17 september 2025. Daarbij zijn verzoekster en mevrouw [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener, verschenen en gehoord.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b van de Faillissementswet (Fw) een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar dit aannemelijk te maken.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van (een deel van) hun schulden niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt, nu deze schulden zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan verzoekster een verwijt worden gemaakt ten aanzien van het laten ontstaan van deze schulden.
Het verzoek om toegelaten te worden kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 288 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
Hoewel verzoekster geen beroep heeft gedaan op een beroep op de hardheidsclausule zal de rechtbank deze ambtshalve toepassen nu verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt sinds 1 juli 2023 dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
In het verzoekschrift is namens verzoekster verzocht de looptijd van de regeling te verkorten met 16 maanden, omdat verzoekster sinds 1 april 2024 maximaal zouden hebben afgelost in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om de ingangsdatum te bepalen op de datum 16 maanden voorafgaand aan de datum van een te wijzen toelatingsvonnis. Hoe de schuldhulpverlener tot de verzochte termijn van 16 maanden komt is naar oordeel van de rechtbank niet duidelijk, althans het verzoek hiertoe is (wegens ontbreken stukken) niet deugdelijk onderbouwd.
Een eerdere ingangsdatum (een ingangsdatum vóór de dag van de WSNP-uitspraak) betekent dat vanaf die eerdere datum de WSNP-regeling met de daaraan verbonden WSNP-verplichtingen gaat gelden. Een van die WSNP-verplichtingen is de informatieverplichting.
Het is de rechtbank uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting gebleken dat verzoekster met ingang van 3 juli 2025 door gemeente [gemeente] is ontheven van haar inspanningsverplichting tot 3 januari 2026. Daarnaast is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting de rechtbank niet gebleken dat verzoekster in de periode vanaf april 2024 tot aan 3 juli 2025 heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting. Volgens de schuldhulpverlener heeft verzoekster gedurende zes maanden haar afloscapaciteit afgedragen. Nu verzoekster niet heeft aangetoond dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan heeft verzoekster naar oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij maximaal heeft afgedragen. Nu wel gebleken is dat verzoekster vanaf 3 juli 2025 wél aan alle verplichtingen vanuit de WSNP heeft voldaan, zal de rechtbank de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling bepalen op de datum die 3 maanden voor dit vonnis is gelegen, dus op 24 juni 2025.

BESLISSING

De rechtbank:
­ spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
voorheen handelend onder de namen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats]
KvK-nummer [nummer] ;
­ stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 24 juni 2025, waardoor deze termijn eindigt op 24 december 2026;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
­ geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
24 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.