Op 24 maart 2025 stelde de advocaat van veroordeelde beroep in tegen de beslissing van 27 februari 2025 van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebesluit uit België van 28 november 2016. Veroordeelde stelde dat zijn recht op een eerlijk proces was geschonden omdat hij niet persoonlijk aanwezig was bij de Belgische procedure en onvoldoende geïnformeerd was over de verdediging en de confiscatie.
De rechtbank toetste het beroep op basis van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC) en Verordening (EU) 2018/1805. De rechtbank nam het confiscatiecertificaat en het confiscatiebevel als uitgangspunt en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de procesvertegenwoordiging. Veroordeelde was vertegenwoordigd door een advocaat en was op de hoogte van de procedure.
De rechtbank verwierp het verzoek tot aanhouding van de behandeling voor het inwinnen van nadere informatie uit België. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning van het confiscatiebevel heeft kunnen komen en er geen weigeringsgronden aanwezig zijn.