Ouders van twee kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) vroegen de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hun kinderen drie dagen per week individueel per taxi naar school zouden worden vervoerd in plaats van het toegekende groepsvervoer. De kinderen volgen speciaal basisonderwijs en het college van burgemeester en wethouders van Groningen had eerder groepsvervoer toegekend.
De voorzieningenrechter behandelde de zaak in een spoedprocedure en moest beoordelen of er sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. De ouders stelden dat groepsvervoer niet geschikt was en dat moeder, die arbeidsongeschikt is en aan het re-integreren, overspannen zou raken als zij de kinderen niet zelf kon brengen en halen.
Het college stelde dat moeder momenteel in staat is de kinderen te vervoeren en dat zij bij overbelasting hulp van vader of het netwerk kan inschakelen. De ouders konden echter geen objectieve medische informatie overleggen waaruit blijkt dat individueel vervoer noodzakelijk is of dat het onverantwoord is dat moeder de kinderen naar school brengt in afwachting van de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang onvoldoende was onderbouwd en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.