ECLI:NL:RBNNE:2025:4850

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
18-269749-22
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling op basis van nieuwe informatie over verblijfsstatus

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitspraak gedaan in een bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van de veroordeelde uit te stellen met maximaal 60 dagen. De veroordeelde, die in 2023 was veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor poging doodslag en overtreding van de Wet wapens en munitie, had bezwaar aangetekend tegen deze uitstelbeslissing. De rechtbank oordeelde dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing tot uitstel had kunnen komen, omdat er nieuwe informatie was over de verblijfsstatus van de veroordeelde. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar ongegrond was, omdat de veroordeelde niet voldeed aan de voorwaarden voor v.i. op basis van de geldende wetgeving. De rechtbank benadrukte dat de informatie over de verblijfsstatus essentieel was voor de beoordeling van de v.i.-aanvraag en dat het openbaar ministerie de tijd had genomen om de benodigde adviezen te verkrijgen. De rechtbank verklaarde de veroordeelde ontvankelijk in het bezwaar, maar wees het bezwaar af, waardoor de veroordeelde het resterende deel van zijn straf moest uitzitten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer : 18-269749-22
Raadkamernummer : 25-019400
V.I. nummer : 89-000042-40
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [instelling] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procedure

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft veroordeelde bij vonnis van 4 augustus 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren ter zake van poging doodslag en handelen
in strijd met de Wet wapens en munitie. Deze veroordeling is op 19 augustus 2023 onherroepelijk geworden en wordt ten uitvoer gelegd.
Het openbaar ministerie heeft op 6 augustus 2025 een beslissing genomen tot het uitstellen van de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) voor een periode van maximaal 60 dagen, te rekenen vanaf 5 augustus 2025. Deze beslissing is op 8 augustus 2025 aan veroordeelde betekend.
Op 19 augustus 2025 heeft de raadsman van veroordeelde, mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, namens veroordeelde bezwaar ingesteld tegen de door het openbaar ministerie genomen beslissing van 6 augustus 2025 tot het uitstellen van de beslissing over het verlenen van v.i.
De raadsman en het openbaar ministerie hebben schriftelijk op voorhand hun standpunten uiteengezet en stukken ter onderbouwing van hun standpunt aan het dossier laten toevoegen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 november 2025. Hierbij waren aanwezig veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. H. Mous.

Motivering

Beoordeling formele vereisten bezwaar
De rechtbank stelt op basis van de stukken het volgende vast.
Het bezwaarschrift is conform artikel 6:6:8 lid 2 Sv binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving ingediend bij de instantie (in eerste aanleg) die kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet.
De rechtbank Noord-Nederland is bevoegd voor de behandeling van het bezwaarschrift en het is daarom tijdig en juist ingesteld.
Beoordeling inhoudelijke bezwaren
Standpunt veroordeelde
Namens veroordeelde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde zich niet kan verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om de beslissing over het verlenen van v.i. uit te stellen voor een periode van maximaal 60 dagen. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Het openbaar ministerie heeft als grondslag voor het nemen van de uitstelbeslissing als uitgangspunt genomen dat op 5 augustus 2025 pas bekend is geworden dat veroordeelde rechtmatig verblijfsrecht had. Verder heeft het openbaar ministerie de benodigde adviezen voor het verlenen van v.i. niet ontvangen.
Echter, veroordeelde heeft reeds geruime tijd een verblijfsaanvraag lopen. Het openbaar ministerie was en kon bekend zijn met het feit dat veroordeelde, op het moment van het nemen van de beslissing, rechtmatig verblijf had. De omstandigheid dat er niet tijdig adviezen voor handen zijn, komt geheel voor rekening van het openbaar ministerie.
Veroordeelde staat open voor begeleiding van de reclassering en andere hulp- en ondersteuningstrajecten. Daarnaast wonen zijn ouders en overige familieleden in Nederland. Veroordeelde draagt zorg voor zijn ouders. Gezien deze situatie kan gesproken worden van een deugdelijk netwerk voor opvang en begeleiding. Hierdoor is er geen risico op recidive of gevaar voor de openbare orde.
Voorts is het openbaar ministerie in zijn beslissing voorbij gegaan aan het feit dat veroordeelde positief gedrag vertoont en inspanningen heeft geleverd om te werken aan zijn terugkeer in de maatschappij.
Tevens blijkt uit de door de verdediging ingebrachte stukken dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht op 26 augustus 2025 heeft geoordeeld dat sprake is van een rechtmatig verblijf op basis van artikel 8a en sub h Vw2000, zodat veroordeelde nog steeds in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning. Het openbaar ministerie richt zich enkel op de beschikking van de minister van 22 augustus 2025, maar deze heeft betrekking op de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag is per 22 augustus 2025 achterhaald en niet meer van toepassing.
Gelet op voornoemde omstandigheden is het uitstel van de beslissing over het verlenen van v.i. niet zorgvuldig, niet proportioneel en niet deugdelijk gemotiveerd. Het openbaar ministerie heeft bij de afweging van alle in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot de beslissing tot uitstel kunnen komen, zodat het bezwaar gegrond moet worden verklaard en een v.i.-datum moet worden bepaald.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar en subsidiair dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe is het volgende aangevoerd.
Het openbaar ministerie heeft in redelijkheid tot het uitstellen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen beslissen. De uitstelbeslissing is op 5 augustus 2025 genomen, omdat toen bekend werd dat veroordeelde alsnog een geldige verblijfstitel zou verkrijgen. Deze beslissing hield verband met een door veroordeelde op 15 juli 2025 ingediende aanvraag die op 22 augustus 2025 is afgewezen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft recent bevestigd dat veroordeelde niet (meer) over een geldige verblijfstitel beschikt. Op grond van artikel 6:2:10 lid 2 sub c Sv. jo. artikel 8, onder a tot en met e en l Vw2000 is daarmee het recht op v.i. vervallen. Er zal daarom door het openbaar ministerie geen v.i.-beslissing meer worden genomen en veroordeelde dient het resterende deel van zijn straf uit te zitten. Doordat veroordeelde geen recht meer heeft op v.i., en de v.i.-regeling derhalve niet van toepassing is op veroordeelde, is veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar, dan wel dient het bezwaar ongegrond te worden verklaard.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt ten aanzien van de toetsing van het bezwaarschrift het volgende.
Gelet op artikel 6:2:10 Sv kan v.i.. worden verleend wanneer de opgelegde gevangenisstraf aan bepaalde voorwaarden van lid 1 van dit artikel voldoet. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat v.i. niet van toepassing is wanneer
de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;
de rechter heeft gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf of een gedeelte daarvan alsnog ten uitvoer wordt gelegd omdat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd;
de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000).
Wanneer geen sprake is van de voorgaande situaties dient het openbaar ministerie, gelet op lid 3 van voornoemd artikel, bij het nemen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling te betrekken:
- de mate waarin en de wijze waarop veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere
geschiktheid tot terugkeer in de samenleving:
  • de mogelijkheden om eventuele aan de v.i. verbonden risicos te beperken en beheersen;
  • de belangen van de slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, waaronder de door
veroordeelde geleverde inspanningen om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.
Het openbaar ministerie laat zich voor het nemen van deze beslissing adviseren door de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering.
Uit de stukken blijkt dat veroordeelde vanaf 5 augustus 2025 in aanmerking kon komen voor v.i.
Het openbaar ministerie heeft in zijn beslissing van 6 augustus 2025 overwogen dat pas op 5 augustus 2025 bekend werd dat veroordeelde alsnog een geldige verblijfstitel -in de zin van artikel 6:2:10 lid 2 onder c Sv- heeft verkregen waarmee veroordeelde in beginsel in aanmerking kan komen voor v.i., maar dat het openbaar ministerie nog niet alle voor het nemen van de beslissing benodigde adviezen heeft ontvangen. Daarom heeft het openbaar ministerie de beslissing over het verlenen van de v.i. met maximaal 60 dagen uitgesteld.
De rechtbank dient op grond van artikel 6:6:9, lid 1, Sv te onderzoeken of het openbaar ministerie bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing tot uitstel van de v.i. heeft kunnen komen.
De rechtbank overweegt dat, gelet op artikel 6:2:10 lid 2 onder c Sv, geen v.i. kan worden verleend wanneer veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l Vw2000.
Het openbaar ministerie heeft voorafgaand aan de datum waarop veroordeelde in aanmerking kon komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling getoetst of er een procedure liep met betrekking tot de rechtmatigheid van het verblijf van veroordeelde. Op 5 augustus 2025 werd vervolgens bekend dat van een rechtmatig verblijf sprake was en om deze reden heeft het openbaar ministerie op 6 augustus 2025 besloten om de beslissing over het verlenen van v.i. uit te stellen, om zich te laten adviseren of veroordeelde aan de overige voorwaarden voor v.i. voldeed.
Dit betreft een beslissing waartegen veroordeelde op grond van artikel 6:6:8 Sv. bezwaar kan maken, waardoor veroordeelde in zijn bezwaar ontvankelijk is.
Zoals hiervoor al aangegeven, is informatie over de verblijfsstatus van een veroordeelde essentieel voor de beoordeling van de vraag of een veroordeelde in aanmerking kan komen voor v.i. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie naar aanleiding van nieuwe informatie over de verblijfsstatus in redelijkheid tot de beslissing tot het uitstellen van v.i. voor een periode van 60 dagen heeft kunnen komen om zich over de overige vereisten voor het verlenen van v.i., zoals omstandigheden over de persoon van de veroordeelde, te laten adviseren. Dat deze omstandigheden uiteindelijk niet in een dergelijke advisering zijn betrokken vanwege nieuwe informatie over een wijziging in de verblijfsstatus van veroordeelde staat in deze bezwaarschriftprocedure niet ter beoordeling van de rechtbank.
De rechtbank zal daarom het bezwaar ongegrond verklaren.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat veroordeelde op basis van de beslissing van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2025 rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8 sub h van de Vw2000. Gelet op artikel 6:2:10, lid 2 lid sub c Sv, geeft dit rechtmatig verblijf veroordeelde echter geen recht op v.i.

Beslissing

De rechtbank verklaart veroordeelde ontvankelijk in het bezwaar.
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2025.
Mr. M. Brinksma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.