In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 27 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot het instellen van een moratorium, ingediend door verzoeker in het kader van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker, die in financiële problemen verkeert, heeft op 15 september 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en tegelijkertijd om een moratorium op te leggen om een ontruiming van zijn woning te voorkomen. De rechtbank heeft op 16 september 2025 een tussenvonnis gewezen en de zaak verwezen naar een zitting op 20 oktober 2025, waarbij een tijdelijke voorziening is getroffen.
Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 is gebleken dat verzoeker de huur van zijn woning te laat heeft betaald en dat er geen begin is gemaakt met een schuldregeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker de voorwaarden uit het tussenvonnis niet is nagekomen en dat zijn financiële situatie onduidelijk is, mede door een terugval in drugsgebruik. De verhuurder heeft verweer gevoerd en aangegeven dat de huur de afgelopen maanden niet tijdig is voldaan, wat de zorgen over de stabiliteit van verzoekers inkomen vergroot.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in het minnelijk traject tot een regeling met zijn schuldeisers te komen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen ruimte is voor het uitspreken van een moratorium, aangezien er nog geen begin is gemaakt met een schuldregeling en er onvoldoende bewijs is dat verzoeker in staat is om tijdig een aanbod aan zijn schuldeisers te doen. Het verzoek tot moratorium is dan ook afgewezen, en verzoeker is opgedragen binnen twee weken aan te geven of hij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft.