Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:4857

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/18/247857 / FT RK 25/973
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij schuldsanering met saneringskrediet

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden waarbij concurrente schuldeisers 0,92% en preferente schuldeisers 1,84% van hun vorderingen ontvangen, gefinancierd met een saneringskrediet van €742,92. Alle schuldeisers behalve één gingen akkoord. Deze schuldeiser weigerde mee te werken vanwege openstaande vorderingen en schadeclaims.

De rechtbank overweegt dat schuldeisers in beginsel vrij zijn om schuldregelingen te weigeren, maar onder bijzondere omstandigheden kan een bevel tot instemming worden gegeven. De inhoud van het akkoord wordt vergeleken met de situatie bij toelating tot de WSNP, waaruit blijkt dat geen uitdeling aan schuldeisers te verwachten is en de kosten van WSNP hoog zijn.

Gezien de betere vooruitzichten voor de schuldeisers bij het akkoord en het nadeel voor verzoeker bij weigering, beveelt de rechtbank de schuldeiser tot instemming met het akkoord. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot de WSNP wordt als ingetrokken beschouwd. De beslissing is genomen in het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen en schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/247857 / FT RK 25/973

vonnis van 30 oktober 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
geheim adres,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
[schuldeiser 1], vertegenwoordigd door Flanderijn Appingedam, correspondentieadres: [adres]
en
[schuldeiser 2], wonende te [adres] ,
hierna te noemen: [schuldeiser 2] .

PROCESGANG

Op 9 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
Op 6 oktober 2025 heeft de schuldhulpverlener bericht dat Flanderijn namens [schuldeiser 1] alsnog akkoord is gegaan met de aangeboden schuldregeling.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 16 oktober 2025. Hierbij zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door mevrouw [schuldhulpverlener 1] en mevrouw [schuldhulpverlener 2] van de Groningse Kredietbank (hierna: de GKB).
[schuldeiser 2] is, ondanks naar behoren opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoeker heeft op of omstreeks 23 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van 0,92 % op de vorderingen van de concurrente schuldeisers en 1,84 % op de vorderingen van de preferente schuldeiser tegen finale kwijting voor het restant. Hiertoe wordt door de GKB een saneringskrediet van netto € 742,92 ter beschikking gesteld.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [schuldeiser 2] aanvaard.
[schuldeiser 2] heeft als reden voor het onthouden van zijn instemming opgegeven dat hij nooit zal meewerken aan een schuldregeling. Verzoeker is hem een geldbedrag verschuldigd plus wettelijke rente, kosten van de advocaat, schadevergoeding, immateriële schadevergoeding en het verlies van de verkochte woning door schade toegediend door verzoeker.
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid niet tot weigering kon komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoeker toegelaten zou worden tot de WSNP, zoals subsidiair verzocht.
Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat wanneer verzoeker zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, gebaseerd op het huidige inkomen en na aftrek van de kosten, geen uitdeling zal kunnen worden gedaan aan de schuldeisers.
De verwachting is dat dit niet veranderd binnen de looptijd van de schuldregeling.
Verzoeker ontvangt een Participatiewet uitkering (kostendelersnorm voor 3 personen). Verzoeker heeft van juni 2021 tot en met juni 2024 op straat geleefd en heeft geen startkwalificaties. Verder is verzoeker naar aanleiding van een uitgevoerd belastbaarheidsonderzoek van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026 door de gemeente ontheven van zijn sollicitatieplicht op grond van lichamelijke en psychische klachten. Verzoeker is herstellende van kanker en staat in verband daarmee onder medische controle van het ziekenhuis. Zou een WSNP worden doorlopen, dan is de prognose dat er niet voor de schuldeisers zal kunnen worden gespaard. Bovendien zullen de kosten van een WSNP (bestaande uit het bewindvoerderssalaris en griffierecht voor het deponeren van een uitdelingslijst) circa € 4.757,00 bedragen er zal er naar verwachting geen uitkering aan de schuldeisers kunnen plaatsvinden.
Nu de vooruitzichten voor [schuldeiser 2] bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat hij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat [schuldeiser 2] geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Het belang van de overige schuldeisers is, evenals het belang van [schuldeiser 2] , gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan en het belang van verzoeker is gelegen in het feit dat hij buiten het wettelijk traject zijn schulden kan regelen, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.
De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat een grote meerderheid van de schuldeisers (samen 94,06 % van het gehele schuldenbedrag vertegenwoordigend) heeft verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord.
Ook voor het overige is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die, ondanks de voordelige inhoud van het akkoord, tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden.
Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken.

BESLISSING

De rechtbank
- beveelt [schuldeiser 2] in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.