ECLI:NL:RBNNE:2025:4858

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/18/25/309 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing van de hardheidsclausule en verlenging van de looptijd

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 12 november 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van een verzoeker tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend, dat is behandeld ter zitting op dezelfde datum. Tijdens de zitting was de verzoeker aanwezig, evenals zijn schuldhulpverlener van de Kredietbank Nederland. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om deze procedure te openen, aangezien het centrum van de voornaamste belangen van de verzoeker in Nederland ligt. Het verzoekschrift voldeed aan de gestelde eisen.

De rechtbank heeft vervolgens de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 van de Faillissementswet (Fw) in overweging genomen. Ondanks het ontbreken van goede trouw met betrekking tot het ontstaan van schulden, heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de omstandigheden die hebben geleid tot zijn schulden onder controle heeft gekregen. De verzoeker heeft recentelijk een uitkering aangevraagd en gekregen, en is onder beschermingsbewind geplaatst. De rechtbank heeft vertrouwen in de mogelijkheid van de verzoeker om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen.

Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat de verzoeker recentelijk is veroordeeld tot een taakstraf, wat invloed kan hebben op zijn inspanningsverplichting binnen de schuldsaneringsregeling. Daarom heeft de rechtbank besloten om de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden te verlengen, waardoor de regeling nu 24 maanden zal duren, met ingang van 12 november 2025 en eindigend op 12 november 2027. De rechtbank heeft ook de benoeming van mr. S. van Gessel als rechter-commissaris en de last aan de bewindvoerder om brieven en telegrammen aan de schuldenaar te openen, bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/309 R

vonnis van 12 november 2025

[verzoeker],
wonende te [adres]
,
Verzoeker.
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 november 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook is verschenen [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener bij Kredietbank Nederland.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Hardheidsclausule
Gelet op artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet (Fw) staat de afwezigheid van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Het schuldenpakket bestaat, zo blijkt uit het verzoek, vrijwel geheel uit relatief recente schulden. In de periode september 2024 tot en met maart 2025 heeft verzoeker geen inkomen gehad doordat het aanvragen van een uitkering bij de gemeente door allerlei omstandigheden niet lukte. Hierdoor zijn schulden ontstaan, waaronder een huurachterstand die heeft geleid tot een dreigende ontruiming. Verzoeker heeft in dit kader een beroep gedaan op de zogenaamde ‘hardheidsclausule’ als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw en dit is in het verzoekschrift en ter terechtzitting nader gemotiveerd. Verzoeker heeft zich gemeld bij de gemeente voor hulp. Inmiddels is de uitkering van verzoeker aangevraagd en toegekend. Ook is verzoeker zeer recent onder beschermingsbewind geplaatst. De rechtbank overweegt als volgt. Ondanks het ontbreken van goede trouw, kan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wel worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen en of hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. Hoewel de omstandigheden van verzoeker pas recent in positieve zin zijn gewijzigd, heeft de rechtbank er vertrouwen in dat verzoeker de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zal kunnen nakomen en de schuldsaneringsregeling succesvol zal doorlopen. Al met al concludeert de rechtbank dat toepassing van artikel 288 lid 3 Fw aan de orde is.
Verlenging
De rechtbank overweegt verder als volgt. Hoewel verzoeker een bestendige
gedragsverandering heeft laten zien, is ter zitting gebleken dat verzoeker recentelijk is
veroordeeld en dat hierbij een taakstraf is opgelegd. Deze taakstraf zal verzoeker zeer
waarschijnlijk gedurende de schuldsaneringsregeling uitvoeren en dit zal ten koste gaan van
het voldoen aan de inspanningsverplichting. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de
regeling met zes maanden te verlengen. De termijn van de schuldsaneringsregeling zal daarom, met toepassing van artikel 349a lid 1 Fw, worden bepaald op 24 maanden met ingang van 12 november 2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027.
De rechtbank ziet geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen.

BESLISSING

De rechtbank:
­ spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 24 maanden met ingang van 12 november 2025,
zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
­ geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.