ECLI:NL:RBNNE:2025:4859

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/18/25/310 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FwArt. 349a FwArt. 3 lid 1 Verordening 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating wettelijke schuldsaneringsregeling met verlenging wegens zakelijke schulden

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank Noord-Nederland verklaarde zich bevoegd en behandelde het verzoek op 12 november 2025. Verzoeker was actief in de advertentiebranche en later in de verkoop en installatie van zonweringen, waarbij onverstandige zakelijke keuzes tot aanzienlijke schulden leidden, onder meer bij de belastingdienst.

Hoewel verzoeker niet aan de eis van goede trouw voldeed, werd op basis van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro) besloten tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker toonde gedragsverbetering, onder beschermingsbewind gesteld sinds april 2024, en heeft geen nieuwe schulden meer gemaakt. De rechtbank heeft vertrouwen in het vermogen van verzoeker om aan de verplichtingen van de regeling te voldoen.

Vanwege de aard en omvang van de zakelijke schulden, met name bij de belastingdienst, besloot de rechtbank de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen met zes maanden tot in totaal 24 maanden. De regeling vangt aan op 12 november 2025 en eindigt op 12 november 2027. De rechtbank benoemde tevens een rechter-commissaris en gaf instructies aan de bewindvoerder.

Uitkomst: Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van 24 maanden vanaf 12 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/310 R

vonnis van 12 november 2025

[verzoeker] ,
wonende te [adres]
,
verzoeker,
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 november 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook is verschenen mw. [schuldhulpverlener] , werkzaam bij Zuidweg & Partners en mw. [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Hardheidsclausule
Gelet op artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro (Fw) staat de afwezigheid van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Het schuldenpakket bestaat, zo blijkt uit het verzoek, voor een groot deel uit zakelijke schulden. Tot 2018 was verzoeker actief in de advertentiebranche en in de periode 2018-2019 is verzoeker zich gaan toeleggen op de verkoop en installatie van zonweringen. Uit het verzoek blijkt dat, als gevolg van onverstandige zakelijke keuzes, diverse schulden zijn ontstaan, onder meer bij de belastingdienst. Verzoeker heeft in dit kader een beroep gedaan op de zogenaamde ‘hardheidsclausule’ als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro en dit is in het verzoekschrift en ter terechtzitting nader gemotiveerd. Verzoeker heeft hulp gezocht op diverse vlakken en in april 2024 is verzoeker onder beschermingsbewind geplaatst. De beschermingsbewindvoerder heeft orde op zaken gesteld en een stabiele financiële situatie gecreëerd. Er zijn geen nieuwe schulden meer ontstaan en het bedrijf van verzoeker is beëindigd. De rechtbank overweegt als volgt. Ondanks het ontbreken van goede trouw, kan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wel worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen en of hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. De door verzoeker geschetste omstandigheden maken dat de rechtbank er vertrouwen in heeft dat verzoeker de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zal kunnen nakomen en de schuldsaneringsregeling succesvol zal doorlopen. Al met al concludeert de rechtbank dat toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro aan de orde is.
Verlenging
De rechtbank overweegt verder als volgt. Hoewel verzoeker een bestendige
gedragsverandering heeft laten zien, neemt dit niet weg dat als gevolg van het ‘onbewust
onbekwaam ondernemen’ aanzienlijke schade is ontstaan, met name bij de belastingdienst. In
de aard van deze schulden ziet de rechtbank aanleiding om de regeling met zes maanden te
verlengen. De termijn van de schuldsaneringsregeling zal daarom, met toepassing
van artikel 349a lid 1 Fw, worden bepaald op 24 maanden met ingang van 12 november
2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027.
De rechtbank ziet geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen.

BESLISSING

De rechtbank:
­ spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd te [adres]
KvK-nummer [nummer ] ;
- stelt de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op 24 maanden met ingang van 12
november 2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
­ geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.