ECLI:NL:RBNNE:2025:4866

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/18/247666 / FT RK 25/954
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 305 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ter voorkoming ontruiming en bevordering schuldsanering

Verzoeker heeft op 3 september 2025 een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium op grond van artikel 287b Faillissementswet, gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 dit verzoek toegewezen om een ontruiming van de woning te voorkomen en verzoeker de gelegenheid te bieden in relatieve rust een minnelijke schuldregeling te treffen.

De rechtbank constateert dat de lopende huurtermijnen voor september en oktober 2025 tijdig zijn voldaan en dat er beschermingsbewind is uitgesproken per 7 oktober 2025, wat de toekomstige huurbetalingen waarborgt. De verhuurder is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank acht het moratorium noodzakelijk en gerechtvaardigd gezien de motivatie van verzoeker en de omstandigheden van de schuldsanering.

De voorziening geldt voor maximaal zes maanden vanaf 3 september 2025 en vervalt indien de lopende verplichtingen niet tijdig worden voldaan of het verzoek tot schuldsanering wordt ingetrokken of definitief beslist. Tevens is bepaald dat de schuldhulpverlener uiterlijk twee weken voor het einde van het moratorium verslag moet uitbrengen. De beslissing tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt nog niet genomen, aangezien het minnelijk traject nog loopt.

Uitkomst: Het moratorium wordt toegewezen voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige betaling van lopende huurverplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/247666 / FT RK 25/954

vonnis van 30 oktober 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf] , gevestigd [adres] , KvK-nummer [nummer] , hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder], vertegenwoordigd door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, gevestigd te [adres] , hierna te noemen de verhuurder.

PROCESGANG

Op 3 september 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 3 september 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 16 oktober 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak is verzoeker verschenen, tezamen met zijn schuldhulpverlener, de heer [schuldhulpverlener] . Voorts is verschenen mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder van verzoeker.
Hoewel behoorlijk opgeroepen is de verhuurder niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro teneinde een ontruiming van de woning op 4 september 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Ter zitting heeft de schuldhulpverlener aangegeven dat beschermingsbewind onlangs is uitgesproken. Het dossier wordt nu opgestart en verzoeker verleent hieraan alle medewerking. Verzoeker is heel gemotiveerd en heeft veel stress van de situatie. De huurtermijnen voor de maanden september en oktober 2025 zijn voldaan.
De rechtbank heeft geen kennis kunnen nemen van het standpunt van de verhuurder, aangezien zij heeft aangegeven niet bij de behandeling van het verzoekschrift aanwezig te zullen zijn en de verhuurder evenmin schriftelijk verweer heeft gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van de verklaring van de schuldhulpverlener dat de huur over de afgelopen periode telkens tijdig en volledig is voldaan. Daarnaast is er met ingang van 7 oktober 2025 beschermingsbewind uitgesproken, zodat betaling van de toekomstige huur ook voldoende lijkt te zijn gewaarborgd.
Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen gaan werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.

BESLISSING

De rechtbank
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 8 juli 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 3 september 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
30 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.