Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement te Groningen, stellende dat de waarde niet hoger kan zijn dan €170.000 vanwege aardbevingsschade en slechte staat van onderhoud. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde van €183.000, onderbouwd met een referentiematrix van vergelijkbare appartementen.
De rechtbank overweegt dat de waarde moet worden bepaald op basis van de staat per 1 januari 2023, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige schade. Het adviesrapport vermeldt herstelkosten van €12.308,30 voor schade door bodembeweging, maar het is onduidelijk hoeveel hiervan op de peildatum aanwezig was. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met deze schade en de mindere staat van onderhoud.
Verder is de WOZ-waarde van andere appartementen niet doorslaggevend voor de waardering van het appartement van eiser. Gezien de vergelijkbaarheid met een appartement in hetzelfde gebouw en de gehanteerde waarderingsmethodiek, wordt de WOZ-waarde van €183.000 bevestigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.