Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:5008

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/4777
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen heffingsbesluiten NAM van 1,3 miljard euro

De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) heeft bezwaar gemaakt tegen heffingsbesluiten van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarbij zij werd verplicht om vóór 31 december 2025 ruim 1,3 miljard euro over te maken. NAM verzocht om uitstel van betaling en vervolgens om een voorlopige voorziening om de betalingsverplichting te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat bij financiële geschillen doorgaans geen spoedeisend belang bestaat, tenzij er sprake is van een onomkeerbare situatie zoals dreigend faillissement. NAM gaf aan dat er geen financiële noodsituatie of continuïteitsrisico is. Daarnaast stelde NAM dat de besluiten evident onrechtmatig zijn.

De voorzieningenrechter stelde dat een voorlopige voorziening zonder spoedeisend belang alleen kan worden toegekend als het besluit evident onrechtmatig is, wat inhoudt dat op basis van een eerste lezing ernstige, onherstelbare gebreken moeten vaststaan. Dit was niet het geval. Daarom werd het verzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder zitting. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de heffingsbesluiten van 1,3 miljard euro is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evidente onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4777

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, verzoekster

(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden),
en

de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

(gemachtigde: mr. M-L. Sluijter).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de besluiten van de staatssecretaris waarin haar is opgedragen vóór 31 december 2025 een bedrag van ruim 1,3 miljard euro over te maken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Met de bestreden besluiten, alle gedateerd op 18 november 2025, heeft de staatssecretaris verzoekster tussentijdse heffingen opgelegd van in totaal circa 1,3 miljard euro. De staatssecretaris heeft verzoekster verzocht dit bedrag binnen zes weken na datum van de besluiten over te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 20 november 2025 heeft zij de staatssecretaris om uitstel van betaling verzocht. De staatssecretaris heeft dit verzoek op 25 november 2025 afgewezen. Daarop heeft verzoekster op 26 november 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de heffingsbesluiten van 18 november 2025, en daarmee de betalingsverplichting, te schorsen tot zes weken nadat de staatssecretaris op het bezwaar heeft beslist, waarbij verzoekster voor deze periode geen wettelijke rente is verschuldigd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen sprake is van een onomkeerbare situatie, zoals een dreigend faillissement of dat de continuïteit van de onderneming niet meer kan worden gewaarborgd, neemt de voorzieningenrechter aan dat een spoedeisend belang ontbreekt.
3. In haar e-mail van 28 november 2025 heeft verzoekster aangegeven dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie dan wel dat de continuïteit van de onderneming in het geding is. Zij is van mening dat het verzoek om een voorlopige voorziening desalniettemin kan worden toegewezen door de voorzieningenrechter omdat naar haar mening sprake is van evident onrechtmatige besluiten.
4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. In het geval van het onderhavige verzoek, waarbij het belang louter van financiële aard is, is daarvan sprake als alleen al op basis van een eerste lezing van de meest essentiële stukken het buiten elke twijfel is dat aan de bestreden besluiten ernstige gebreken kleven waarvan vaststaat dat die niet meer kunnen worden hersteld in de bezwaarfase. Op grond van de inhoud van de bestreden besluiten, het verzoekschrift en de reactie van de staatssecretaris op dat verzoekschrift is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar vooralsnog geen sprake van is. Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.