Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:504

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
25/230
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens dealen hennep en cocaïne en medeplegen gewoontewitwassen met gedeeltelijke ontneming

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 februari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 1992, woonachtig te een adres, wegens het dealen van hennep en cocaïne en het medeplegen van gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op bijna €99.137, maar later aangepast naar €94.567.

Tijdens de terechtzitting op 30 januari 2025 werd het standpunt van de verdediging naar voren gebracht dat het voordeel aanzienlijk lager moest worden vastgesteld, namelijk €31.200, gebaseerd op een wekelijkse winst van €300 over ongeveer twee jaar. Tevens werd betwist dat bedragen die via de bankrekening van een medeverdachte zijn ontvangen, aan de verdachte konden worden toegerekend.

De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van de meervoudige strafkamer en de daarin opgenomen bewijsmiddelen. Uit het proces-verbaal witwassen bleek een totaal wederrechtelijk voordeel van €99.136,94, inclusief bedragen die via de rekening van de medeverdachte zijn ontvangen. De rechtbank oordeelde dat zonder nadere onderbouwing deze bedragen niet konden worden toegerekend aan de verdachte en stelde het voordeel vast op €48.475,62.

De rechtbank wees de vordering tot ontneming gedeeltelijk toe en legde aan de verdachte de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat. Tevens bepaalde zij de maximale duur van gijzeling op 969 dagen. De vordering tot ontneming voor het overige werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor drugshandel en medeplegen gewoontewitwassen met ontneming van €48.475,62.

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2025:504

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 13-02-2025
Datum publicatie 13-02-2025
Zaaknummer 25/230
Rechtsgebieden Strafrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie Veroordeling wegens het dealen van hennep en cocaïne en het medeplegen van gewoontewitwassen. De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gedeeltelijk toe.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/136198-22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 13 februari 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboorte datum] 1992 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 27 december 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 99.136,94 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/136198-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 30 januari 2025. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in de schriftelijke vordering, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 94.566,94. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 november 2022. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dat rapport berekend op 104.287,94.
Volgens de officier van justitie moeten daar de kosten gemaakt voor het levensonderhoud van veroordeelde nog van worden afgetrokken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager moet worden vastgesteld. Veroordeelde heeft aangegeven dat hij vanaf 2020 heeft gehandeld in drugs en dat hij daarmee 300,00 per week verdiende. In totaal heeft veroordeelde zich ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan de drugshandel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 104 weken vermenigvuldigd met 300,00 = 31.200,00. De raadsman merkt daarnaast op dat de officier van justitie in haar berekening het bedrag dat medeverdachte [medeverdachte] op haar bankrekening aan tikkies heeft ontvangen, volledig meeneemt in de berekening van veroordeelde. Het is onvoldoende duidelijk waarom ervoor is gekozen om het bedrag voor rekening te laten komen van veroordeelde en waarom het niet is meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte] .

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 13 februari 2025 in de onderliggende strafzaak en de daarin opgenomen bewijsmiddelen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 13 februari 2025 in de zaak met parketnummer 18/136198-22 veroordeeld ter zake van de handel in hennep en cocaïne en ter zake van gewoontewitwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt het proces-verbaal witwassen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat.
Uit de berekening in het proces-verbaal witwassen blijkt dat veroordeelde in totaal
99.136,94 wederrechtelijk aan voordeel heeft genoten. Dit bedrag betreft onverklaarbaar contant en giraal vermogen. In dit bedrag zijn echter ook de tikkies meegenomen die medeverdachte [medeverdachte] op haar bankrekening heeft ontvangen. Het gaat hierbij om bedragen afkomstig uit de drugshandel van veroordeelde, maar het geld kwam binnen op de rekening van [medeverdachte] en niet is gebleken dat [medeverdachte] dit bedrag vervolgens weer aan veroordeelde heeft uitgekeerd. Het gaat om een totaal bedrag van 50.661,32. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde kan worden meegenomen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vaststellen op 99.136,94 - 50.661,32 = 48.475,62. De rechtbank zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 48.475,62.
Legt [verdachte] , voornoemd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 48.475,62 (zegge: achtenveertigduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en tweeënzestig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 969 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. R. Baluah en
mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2025.
Mr. R. Baluah is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.