ECLI:NL:RBNNE:2025:5080

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11516384 \ CV EXPL 25-455
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid in verband met ontbinding van de rechtspersoon en de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst met bijbehorende bestuurdersaansprakelijkheid

In deze zaak, uitgesproken op 28 oktober 2025 door de Rechtbank Noord-Nederland, is de ontvankelijkheid van de eiser in het geding, gezien de ontbinding van de rechtspersoon [gedaagde sub 1] op 16 december 2024. De eiser, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. T.J. Hidding, vordert betaling van achterstallig loon en pensioenpremies van de gedaagden, waaronder de bestuurders [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. De centrale vraag is of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden van de eiser als operationeel uitvoerend kunnen worden gekwalificeerd, wat duidt op een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter concludeert dat de eiser recht heeft op een bruto bedrag van € 23.989,80, vermeerderd met wettelijke verhogingen en rente. Tevens wordt de gedaagde sub 1 veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de loonvordering. De bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade, gezien hun onzorgvuldig handelen bij de ontbinding van de rechtspersoon. De proceskosten worden toegewezen aan de eiser, die op basis van een toevoeging heeft geprocedeerd.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11516384 \ CV EXPL 25-455
Vonnis van 28 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T.J. Hidding,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
gemachtigde: mr. Huberts,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
in persoon,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
3.
[gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,
in persoon,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
gezamenlijk te noemen: [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 april 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] ;
- de door [eiser] overgelegde productie 11;
- de door [gedaagde sub 1] overgelegde producties 7 tot en met 9
- de door [gedaagde sub 1] overgelegde producties 10 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: [eiser] , vergezeld door haar partner en een tolk Hongaars, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Hidding en [gedaagde sub 1] vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder, bijgestaan door mr. Huberts. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn verder mede in privé verschenen. Mr. Hidding heeft de zaak onder andere toegelicht aan de hand van “Aantekeningen t.b.v. mondelinge behandeling”.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 1] exploiteerde een hotel in [plaats 2] onder de naam hotel [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn indirect (via hun persoonlijke bv’s [bedrijf 1] B.V. respectievelijk [bedrijf 2] B.V.) bestuurders van [gedaagde sub 1] .
2.2.
Rond eind augustus 2022 zijn [eiser] en haar partner, [partner eiser] (hierna te noemen: [partner eiser] ) in contact gekomen met [gedaagde sub 3] . Er heeft whatsappcontact, een overleg via Teams en een telefoongesprek plaatsgevonden. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] een overeenkomst opgesteld met de volgende inhoud:
Assignment description summery (for details see the: Handboek):

Cleaning of alle rooms and general spaces;
  • Washing and ironing bedlinen and towels;
  • Keep the outside area clean;
  • Answer company phone;
  • Folow and let guests follow our general conditions;
  • Follow the booking system check in and check out guests;
  • Sales to companies to increase the occupation.
  • Communication with team [gedaagde sub 1] to make the business running smoothly and lean.
  • Focus on cost control.
Payment:
1 Room flexible stay in the hotel (room bases on occupation)
(no registration)
Payments for assignment:
  • Occupation till 35% = € 600 (3,5 days of work)
  • Occupation 35%-50% total payment = € 700 (4 days of work)
  • Occupation 50%-65% total payment = € 800 (4,5 days of work)
  • Occupation 65%-80% and more total payment = € 1000 (5 days of work)
  • Occupation 80%-95% and more involvement of extra person.
Payment goes via monthly invoice of kwitantie
Payment is linked tot the % of occupation and days of work.
Notice period
1 week notice period for both parties.”
2.3.
Op 22 augustus 2023 heeft [partner eiser] het volgende whatsappbericht gestuurd:
“We both ( [partner eiser] and [eiser] ) agree to the conditions in the contract as of Augustus 22. 2023. I have downloaded the contract but I am not able to sign.”
[partner eiser] heeft bij het bericht een foto van zijn pinpas gevoegd. Het bericht is verzonden met de telefoon van [eiser] .
2.4.
Rond 22 augustus 2023 zijn [partner eiser] en [eiser] vanuit Rotterdam afgereisd naar [plaats 2] . De treinkaartjes zijn betaald door [gedaagde sub 1] . [partner eiser] en [eiser] hebben hun intrek genomen in hotel [gedaagde sub 1] in verband met de gemaakte afspraken.
2.5.
Op basis van een kwitantie, zonder vermelding van btw, werd wekelijks een bedrag van € 163,33 overgemaakt. Eerst op de bankrekening van [partner eiser] en later op de bankrekening van [eiser] .
2.6.
Vanwege het ontbreken van een inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel heeft [gedaagde sub 1] vanaf 5 maart 2024 de betalingen opgeschort. Op 20 juni 2024 heeft Rotterdamgenetics een bedrag van € 2.192,40 gefactureerd aan [gedaagde sub 1] met de navolgende omschrijving:
“Vanaf 5 maart tot 18 juni heeft [eiser] schoonmaakwerkzaamheden verricht binnen en buiten in opdracht van u”
Op de factuur staat dat de btw is verlegd.
2.7.
Nadien is nog een bedrag van € 653,32 door [gedaagde sub 1] overgemaakt naar [eiser] . Bij de overschrijving staat
“Kwitantie van 11-06-2024 tot 11-07-2024 (…) Kenmerk: finale afrekening”.
2.8.
Per 12 juli 2024 is de exploitatie van hotel [gedaagde sub 1] overgenomen door [exploitant hotel] handelend onder de naam [bedrijf 3] . Bij e-mail van 28 juli 2024 heeft [exploitant hotel] het volgende geschreven aan [partner eiser] :
“I am sorry to inform you that your employment will end on July 31, 2024. Of course, I will pay your worked period as agreed from July 12 till July 31, 2024. The total amount you will receive is € 1650. (…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert [gedaagden] voor zover mogelijk hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot:
I. betaling aan [eiser] van een bedrag ter hoogte van € 24.865,32 bruto minus het reeds voldane bedrag van € 7.513,18 netto, te verhogen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, alsmede met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 31 augustus 2024 tot algehele voldoening van het bedrag;
II. het verstrekken aan [eiser] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie, waarin het bedrag van sub I is verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00, vanaf 7 dagen na betekening van het vonnis indien hier niet aan voldaan wordt;
III. het afdragen van premies/bedragen aan het Pensioenfonds Horeca & Catering vanaf 22 augustus 2023 tot 1 augustus 2024, alsmede hiervan een bewijs aan [eiser] te doen toekomen, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00, vanaf 7 dagen na betekening van het vonnis indien hier niet aan voldaan wordt;
IV. betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK); en
V. met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, met de bepaling dat [gedaagden] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn wanneer deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn betaald.
3.2.
[gedaagde sub 1] voert verweer. [gedaagde sub 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans de vordering van [eiser] af te wijzen, dan wel bij toewijzing, al hetgeen [gedaagde sub 1] reeds aan [eiser] heeft betaald/vergoed, zijnde in geld een bedrag van € 7.513,18 en anders dan in geld (een waarde vertegenwoordigend van) € 6.050,-, aan te merken als te zijn voldaan ter delging van de loonvordering van [eiser] op [gedaagde sub 1] , met veroordeling van [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding, het salaris van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] daaronder begrepen.
3.3.
In (voorwaardelijke) reconventie vordert [gedaagde sub 1] ,
“voor het geval komt vast te staan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst èn dat [gedaagde sub 1] meer aan [eiser] heeft betaald dan zij op basis van de door [eiser] gewerkte uren was verschuldigd, het surplus als zijnde onverschuldigd betaald aan [eiser] , met veroordeling van [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding, het salaris van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] daaronder begrepen”.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De centrale vraag in dit geschil is of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] , zoals [eiser] stelt, of van een overeenkomst van opdracht, zoals [gedaagde sub 1] stelt. Daarnaast rijzen er nog diverse andere vragen, zoals de vraag naar de ontvankelijkheid van [eiser] en [gedaagde sub 1] , nu [gedaagde sub 1] bij besluit van 16 december 2024 is ontbonden. Verder is in geschil tussen partijen (indien wordt aangenomen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst) wat de arbeidsomvang is geweest en in hoeverre het loon in natura is betaald. Ten slotte is er ook het punt van de bestuurdersaansprakelijkheid, die [eiser] aan haar vordering tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten grondslag heeft gelegd.
[eiser] en [gedaagde sub 1] zijn ontvankelijkheid
4.2.
Uit het door [eiser] overgelegde uittreksel uit het handelsregister van juni 2025 van [gedaagde sub 1] blijkt dat op 16 december 2024 een ontbindingsbesluit is genomen door het bestuur. Op 20 januari 2025 is in het handelsregister geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon, [gedaagde sub 1] , is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 16 december 2024. De dagvaarding waarmee [eiser] deze procedure aanhangig heeft gemaakt, is op 24 december 2024 betekend.
4.3.
Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW houdt een rechtspersoon, als er ten tijde van de ontbinding geen bekende baten zijn, bij ontbinding dadelijk op te bestaan. Het bestuur dient opgaaf te doen van de ontbinding aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.
4.4.
[eiser] heeft aangevoerd dat de dagvaarding is uitgebracht voordat de ontbinding was ingeschreven in het handelsregister. Gelet hierop is zij ontvankelijk.
4.5.
Naar de kantonrechter begrijpt beroept [eiser] zich op de derdenwerking die van het handelsregister uitgaat. Artikel 25 van de Handelsregisterwet 2007 bepaalt dat op een feit dat door inschrijving of deponering moet worden bekendgemaakt, tegenover derden die daarvan onkundig waren geen beroep kan worden gedaan zolang de inschrijving of deponering niet hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat derden mogen afgaan op hetgeen in het handelsregister is gepubliceerd. Ontbinding van een vennootschap dient opgegeven te worden aan het handelsregister. [1] De ontbinding komt met de inschrijving in het handelsregister pas tot uiting voor derden. Nu niet gesteld noch gebleken is dat [eiser] al voor de inschrijving van de ontbinding op de hoogte was van het ontbindingsbesluit, mocht zij afgaan op het handelsregister. Op het moment van dagvaarden kon [eiser] dan ook niet weten dat er een ontbindingsbesluit was genomen. Het met terugwerkende kracht inschrijven van een opheffing brengt niet mee dat de vennootschap in deze zaak niet op de juiste wijze in het geding is geroepen. [2] [eiser] is dan ook ontvankelijk. Dat [gedaagde sub 1] is ontbonden wegens gebrek aan baten, staat daar in dit geval niet aan in de weg.
4.6.
Een rechtspersoon die betrokken is in een procedure, blijft voortbestaan. Dat brengt in dit geval mee dat [gedaagde sub 1] ook een (voorwaardelijke) reconventionele vordering kon instellen. [3]
Toetsingskader arbeidsovereenkomst
4.7.
Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat gedurende zekere tijd arbeid wordt verricht in dienst van een ander (gezagsverhouding) tegen loon. Deze criteria zijn te vinden in de definitie van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Daarbij dient eerst, door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf, te worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen overeen zijn gekomen. Vervolgens moet worden nagegaan of die rechten en plichten aan de omschrijving van een arbeidsovereenkomst voldoen. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
4.8.
In het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 [4] heeft de Hoge Raad dit toetsingskader voor de zogenaamde kwalificatievraag bevestigd, en voorts overwogen dat de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt afhangt van alle omstandigheden in onderling verband bezien, waarbij onder meer van belang kunnen zijn:
(1) de aard en duur van de werkzaamheden;
(2) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
(3) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
(4) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
(5) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen;
(6) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
(7) de hoogte van deze beloningen;
(8) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
(9) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, mede afhangt van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht (rov. 3.2.5).
Overeengekomen rechten en plichten
4.9.
Op basis van het dossier en hetgeen door partijen ter zitting is verklaard kan het volgende worden vastgesteld. Onduidelijk is wat partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben besproken. Ter zitting konden partijen daar geen duidelijkheid over geven. Er is alleen duidelijk geworden dat er een meeting via Teams is geweest waarin is besproken wat er gedaan moest worden in hotel [gedaagde sub 1] . Vervolgens is er een contract opgesteld door [gedaagde sub 1] , zonder vermelding van namen en data. Uit het whatsappbericht van 22 augustus 2023 volgt dat zowel [eiser] als [partner eiser] hebben ingestemd met het contract. [partner eiser] en [eiser] zijn daarop in twee kamers van hotel [gedaagde sub 1] getrokken. Uit de e-mailcorrespondentie van 31 augustus 2023 tussen [partner eiser] en [gedaagde sub 3] volgt dat
“4 day a week working”is afgesproken. Uit de toelichting ter zitting leidt de kantonrechter af dat [eiser] de schoonmaak en de was verzorgde en dat [partner eiser] optrad als tussenpersoon in verband met de taal. Daarnaast valt uit de overgelegde whatsappcorrespondentie af te leiden dat [partner eiser] ook signaleerde wanneer er onderhoud noodzakelijk was en toegang had tot het boekingssysteem. Ook valt daaruit af te leiden dat zo nodig artikelen werden ingekocht door [eiser] en/of [partner eiser] en dat zij gasten binnenlieten en/of rondleidden. Uit de stukken en de verklaringen ter zitting volgt verder dat [partner eiser] kamers kon “dichtzetten”, dat wil zeggen op niet beschikbaar zetten omdat de kamer bijvoorbeeld nog niet was schoongemaakt. [eiser] was vrij om te bepalen wanneer en welke kamers zij schoonmaakte. Ook volgt uit de stukken dat van de zijde van [gedaagde sub 1] aanwijzingen werden gegeven over de schoonmaak, bijvoorbeeld het verwijderen van schimmel en soms werd er op aangedrongen bepaalde kamers schoon te maken en “open te zetten”. Door [partner eiser] en [eiser] werden wekelijks kwitanties opgemaakt en in het computersysteem gezet. Opvallend is dat de kwitanties een adres van [partner eiser] en [eiser] in [plaats 1] [ktr: bedoeld is waarschijnlijk [plaats 1] ] bevatten. Op de kwitanties wordt geen btw vermeld. Op enig moment heeft [gedaagde sub 1] er bij [partner eiser] op aangedrongen dat zij zich zouden laten inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daarop heeft een derde namens [eiser] een factuur verzonden, zonder btw. Verder hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verklaard dat het nooit de bedoeling was een arbeidsovereenkomst te sluiten en heeft [eiser] verklaard dat zij dacht dat zij nog een contract zou krijgen.
Wat is afgesproken kwalificeert als een arbeidsovereenkomst
4.10.
De uitgevoerde werkzaamheden kunnen als operationeel uitvoerend worden gezien. Anders dan [gedaagde sub 1] meent betreft het kernwerkzaamheden van een hotelorganisatie. Weliswaar is de corebusiness van een hotel het aanbieden van kamers, maar daarmee hangt samen dat de kamers iedere keer weer gereed gemaakt moeten worden voor de volgende gasten. Het in gereedheid brengen van de kamers voor volgende gasten en die gasten ontvangen, is volledig verweven met de organisatie van een hotel. De werkzaamheden hebben dan ook onmiskenbaar een structureel karakter. Weliswaar kon [eiser] haar eigen werktijden bepalen maar zij diende er wel voor te zorgen dat de kamers gereed waren als de volgende gasten kwamen. Ook ontving zijn aanwijzingen van [gedaagde sub 1] . Verder is niet gebleken dat [eiser] enige invloed heeft gehad op de hoogte van de beloning. Die overigens zeer beperkt was. Daarbij had [eiser] ten opzichte van [gedaagde sub 1] een duidelijk minder stevige positie. Zij was dringend op zoek naar werk en onderdak. Van enig ondernemerschap van [eiser] is niet gebleken. Zij had geen andere klanten en was binnen [gedaagde sub 1] niet zichtbaar als zelfstandige. Er was verder geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel en er werd geen btw betrokken in de geldstromen tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] .
4.11.
De conclusie op basis van het vorenstaande is dat sprake is van een duidelijke inbedding van de werkzaamheden in de organisatie en dat niets wijst op ondernemerschap. Met het verzoek van [gedaagde sub 1] aan [eiser] om zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel wordt zij nog geen zelfstandige. Alles overwegende komt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dat uit de stukken lijkt te volgen dat zowel [eiser] als [partner eiser] door [gedaagde sub 1] waren aangesteld en dat [eiser] de werkzaamheden in zoverre niet persoonlijk hoefde uit te voeren maar dat samen met [partner eiser] kon doen, maakt dit oordeel niet anders.
Omvang van de arbeidsovereenkomst
4.12.
De volgende vraag is wat de omvang was van die arbeidsovereenkomst. [eiser] maakt aanspraak op een arbeidsomvang van 32 uur (4 dagen per week). Zij verwijst daarvoor naar de overeenkomst, de e-mailcorrespondentie van 31 augustus 2023 en de whatsappberichten. Dit is door [gedaagde sub 1] betwist. [gedaagde sub 1] heeft aangegeven dat het slechts om 1 uur werk gedurende vier dagen ging, derhalve 4 uur per week. Daarbij gaat [gedaagde sub 1] uit van een bezetting van 18%. Dat komt neer op één kamer, aldus [gedaagde sub 1] . Een kamer schoonmaken duurt volgens de standaard berekening 1 uur. Omdat [eiser] vrij was om te bepalen wanneer zij haar werkzaamheden uitvoerde, kon zij de werkzaamheden over vier dagen verdelen, aldus [gedaagde sub 1] .
4.13.
In de overeenkomst staat (4 days of work) en ook in de e-mailcorrespondentie wordt gesproken over ‘4 days a week’. Over het aantal te werken uren geeft de overeenkomst geen duidelijkheid. [eiser] heeft aangegeven dat zij veel uren maakte en in ieder geval 4 hele dagen werkte, 32 uur. Dit wordt ondersteund door de door [eiser] overgelegde whatsappcorrespondentie. Daarin wordt aangegeven
“It’s just very hard to work pretty much every day” [5] en
“We work 7 days a week what is not right. When we have a day off even then we have to do the rooms. I get calls middle of the night to open the door.” [6] . Deze berichten zijn niet door [gedaagde sub 1] weersproken. Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de bezetting slechts 18% was, maar zij heeft dit niet met duidelijke gegevens gestaafd. Daarbij laat [gedaagde sub 1] in haar berekening buiten beschouwing dat [eiser] niet alleen de kamers schoon moest maken, maar ook de gemeenschappelijke ruimten en dat zij de was diende te verzorgen. Uit de whatsappberichten volgt daar hiermee veel tijd was gemoeid. Ook dit is niet weersproken door [gedaagde sub 1] . Gelet op het vorenstaande gaat de kantonrechter uit van een arbeidsomvang van 32 uur zoals door [eiser] gesteld en toegelicht en onvoldoende door [gedaagde sub 1] weersproken.
Loonvordering
4.14.
[eiser] heeft gesteld dat de cao Horeca & Catering op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Dit is niet betwist door [gedaagde sub 1] . De kantonrechter gaat dan ook uit van de toepasselijkheid van de cao Horeca & Catering (hierna kortweg cao). Verder heeft [eiser] onbetwist gesteld dat zij op basis van het minimumuurloon van € 13,68 uit de cao recht heeft op een bedrag van € 21.012,48 bruto over de periode van 31 augustus 2023 tot 31 juli 2024 (48 weken a 32 uur). Verder maakt [eiser] aanspraak op vakantiegeld (8%) en niet-opgenomen en niet uitbetaalde vakantie-uren van in totaal 147 uur. De totale loonvordering van [eiser] komt daarmee uit op € 24.865,32 bruto. Deze berekening is niet door [gedaagde sub 1] betwist anders dan dat zij uitgaat van een andere arbeidsomvang, maar dat verweer is hiervoor al verworpen. Nu de berekening niet inhoudelijk is betwist, is de loonvordering in beginsel toewijsbaar.
4.15.
Wel heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat er ook loon anders dan in geld is betaald, namelijk door het beschikbaar stellen van woonruimte. Deze vergoeding anders dan in geld, dient te worden betrokken bij het vaststellen van de loonvordering, aldus [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft betwist dat aan de voorwaarden voor loon in natura is voldaan.
4.16.
Op grond van artikel 7:617 lid 1 onder c BW is het gebruik van een woning, alsmede verlichting en verwarming daarvan en op grond van lid 1 onder d kost en inwoning, een toegestane loonvorm. Artikel 7:617 lid 2 BW bepaalt echter dat daaraan geen hogere waarde mag worden toegekend dan die welke met de werkelijke waarde daarvan overeenkomt.
4.17.
Naar het oordeel van de kantonrechter is in het gegeven geval sprake van inwoning als bedoel in artikel 7:617 lid 1 onder d BW. In beginsel zijn inhoudingen op het wettelijke minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) verboden. [7] Op dit verbod gelden wel uitzonderingen. Inhoudingen op kosten voor huisvesting en zorgverzekering zijn mogelijk. Hiervoor gelden wel voorwaarden. Zo moet er een schriftelijke volmacht van de werknemer aan de werkgever zijn. Voorts is aan de huisvestingskosten een maximum percentage verbonden van 25% van het minimumloon. [8] Daarbij moet de huisvesting voldoen aan bepaalde vastgestelde kwaliteitsnormen. Gesteld noch gebleken is dat aan de voorwaarden voor inhouding van de kosten van huisvesting is voldaan. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat een deel van het loon in natura is voldaan, zal dan ook worden verworpen.
4.18.
[eiser] maakt aanspraak op het loon over de periode van 31 augustus 2023 tot 31 juli 2024. Per 12 juli 2024 is de exploitatie van het hotel geheel overgedragen, aldus [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat sprake is van overgang van onderneming. [eiser] heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van een overgang van onderneming per 12 juli 2024. In dit kader is artikel 7:663 BW van belang. Dit artikel bepaalt dat [gedaagde sub 1] nog één jaar na de overgang hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die vóór de overgang uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan. Daarvan is hier sprake. De loonvordering van [eiser] is met uitzondering van de periode 12 juli tot 31 juli 2024 ontstaan voor de eventuele overgang. Daarbij heeft [eiser] haar vordering binnen het jaar na overgang aanhangig gemaakt. Voor de loonbetaling na 12 juli 2024 is [gedaagde sub 1] niet langer aansprakelijk. Dit deel van de loonvordering zal dan ook worden afgewezen, te weten
€ 875,52 (2 x 32 uur x € 13,68).
4.19.
Gelet op het vorenstaande zal een bedrag aan achterstallig loon van € 23.989,80 bruto [9] onder aftrek van € 7.513,18 netto worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de verhoging zal worden gemaximeerd op 25%. De gevorderde wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 zal ook worden toegewezen. [gedaagde sub 1] is gehouden [eiser] een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken, zodat ook dat deel van de vordering zal worden toegewezen versterkt met een dwangsom zoals hierna vermeld.
4.20.
[eiser] maakt ook aanspraak op pensioenafdracht. Hiertegen is door [gedaagde sub 1] , anders dan dat [eiser] ook pensioenpremie dient af te dragen, geen verweer gevoerd. Ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen, beperkt tot de periode 31 augustus 2023 - 11 juli 2024, versterkt met een dwangsom als nagemeld. De periode vóór 31 augustus 2023 wordt niet meegenomen omdat [eiser] over die periode niets heeft gesteld over de arbeidsomvang.
4.21.
Uit het vorenstaande volgt dat niet aan de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde sub 1] is voldaan, zodat die vordering zal worden afgewezen.
4.22.
Ten slotte heeft [eiser] aanspraak gemaakt op de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 462,50 worden toegewezen.
Bestuurdersaansprakelijkheid
4.23.
[eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van het achterstallig loon naast [gedaagde sub 1] omdat zij als bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld. In eerste instantie heeft [eiser] hieraan feitelijk ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bestuurders hebben bewerkstelligd dat [gedaagde sub 1] haar wettelijke verplichtingen tegenover [eiser] niet is nagekomen. Nagelaten is [eiser] het minimumloon te betalen, pensioenpremie af te dragen en zij hebben haar in strijd met de arbeidstijdenwet laten werken. Hiervan valt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een persoonlijk verwijt te maken, aldus [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] daaraan toegevoegd dat [gedaagde sub 1] per 20 december 2024 is ontbonden wegens gebrek aan baten. Het betreft derhalve een zogenaamde turboliquidatie, aldus [eiser] , waarvoor regels gelden. Die staan in artikel 2:19b BW. Het gaat hier om de financiële verantwoording door het bestuur. Daaraan hebben de bestuurder [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet voldaan. Dat levert aansprakelijkheid op van de bestuurders wegens onrechtmatige turboliquidatie, aldus [eiser] .
4.24.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben geen conclusie van antwoord genomen en zijn enkel ter zitting verschenen. Het verweer van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ter zitting is beperkt gebleven tot de stelling dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij na verkoop van het hotel en de overdracht van de exploitatie met schulden zijn blijven zitten.
4.25.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Dit kan anders zijn als op grond van de omstandigheden van het concrete geval aanleiding bestaat om de bestuurder van de vennootschap in privé aansprakelijk te houden voor de schade van de schuldeiser doordat zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van die schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als de bestuurder verhaal op de vennootschap onmogelijk heeft gemaakt kan sprake zijn van een dergelijk ernstig verwijt.
4.26.
De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op [eiser] . Verder geldt op grond van artikel 2:11 BW dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
4.27.
Vast is komen te staan dat [gedaagde sub 1] niet aan haar verplichtingen tegenover [eiser] heeft voldaan. Er is niet voldaan aan de Wml en de cao en er zijn geen pensioenpremies afgedragen. Verder staat vast dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bij de turboliquidatie niet aan hun verplichting tot financiële verantwoording hebben voldaan. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben niet betwist dat dit alles zodanig onzorgvuldig is dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Gelet op het ontbreken van een duidelijke inhoudelijke betwisting, neemt de kantonrechter als onbetwist aan dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat ze daarvan een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken, omdat gedurende een langere tijd niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan.
4.28.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] (via artikel 2:11 BW) uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade. Gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] is ontbonden wegens gebrek aan baten, zal [gedaagde sub 1] niet in staat zijn de loonvordering en de achterstallige pensioenpremies te voldoen. De kantonrechter zal de schade dan ook begroten op het achterstallige loon en de achterstallige pensioenpremies, nu ook op dit punt geen verweer is gevoerd.
Proceskosten
4.29.
[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn in het ongelijk gesteld in conventie en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde sub 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punt × € 406,00)
- nakosten
135,00
Totaal
1.037,00
4.30.
In de voorwaardelijke reconventie is [gedaagde sub 1] ook in het ongelijk gesteld, zodat [gedaagde sub 1] ook in de proceskosten van [eiser] in de voorwaardelijke reconventie wordt veroordeeld. De kosten worden vastgesteld op halve punt salaris gemachtigde te weten
€ 203,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, voor zover de één betaalt de ander zal zijn gekweten, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 23.989,80 bruto minus het reeds voldane bedrag van € 7.513,18 netto, te verhogen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 25%, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin het bedrag van het bepaalde onder 5.1. is verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00, indien niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis hieraan wordt voldaan;
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, voor zover de één betaalt de ander zal zijn gekweten, tot het afdragen van premies/bedragen aan het Pensioenfonds Horeca & Catering vanaf 31 augustus 2023 tot 12 juli 2024, alsmede hiervan bewijs aan [eiser] te doen komen, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00, indien niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis hieraan wordt voldaan;
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, voor zover de één betaalt de ander zal zijn gekweten, tot betaling van een bedrag van € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten;
5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, voor zover de één betaalt de ander zal zijn gekweten, in de proceskosten van € 1.037,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In (voorwaardelijke) reconventie
5.8.
wijst het gevorderde af;
5.9.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 203,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 2:19 BW en artikel 40 Handelsregisterbesluit 2008.
2.Rechtbank Den Haag 15 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4239.
3.Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013: BX9762.
4.Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.
5.Op 13 mei 2024.
6.Op 3 juni 2024.
7.Artikel 7a Wml.
8.Artikel 13 Wml in combinatie met artikel 2a van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag.
9.€ 24.865,32 minus € 875,52.