In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de erkenning van een minderjarige door de verwekker. De man, die de verwekker is van de minderjarige, heeft verzocht om vervangende toestemming voor erkenning, omdat de moeder, die ten tijde van de geboorte minderjarig was, geen toestemming wilde geven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de wet niet vereist dat de moeder het gezag heeft voor de erkenning. De rechtbank heeft de belangen van de man, de moeder en de minderjarige afgewogen. De rechtbank oordeelt dat de erkenning in het belang van de minderjarige is, omdat het belangrijk is dat juridisch vaststaat van wie zij afstamt. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de erkenning de belangen van de moeder of de minderjarige zou schaden. De rechtbank heeft de verzoeken van de man tot erkenning en omgang met de minderjarige toegewezen, maar heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen afgewezen. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te doen naar de omgang tussen de man en de minderjarige, gezien de complexe relatiegeschiedenis en de zorgen over de situatie.