ECLI:NL:RBNNE:2025:5143

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
C/17/200946 FA RK 25/1562
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor erkenning van een minderjarige door de verwekker in het kader van familierechtelijke geschillen

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de erkenning van een minderjarige door de verwekker. De man, die de verwekker is van de minderjarige, heeft verzocht om vervangende toestemming voor erkenning, omdat de moeder, die ten tijde van de geboorte minderjarig was, geen toestemming wilde geven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en dat de wet niet vereist dat de moeder het gezag heeft voor de erkenning. De rechtbank heeft de belangen van de man, de moeder en de minderjarige afgewogen. De rechtbank oordeelt dat de erkenning in het belang van de minderjarige is, omdat het belangrijk is dat juridisch vaststaat van wie zij afstamt. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de erkenning de belangen van de moeder of de minderjarige zou schaden. De rechtbank heeft de verzoeken van de man tot erkenning en omgang met de minderjarige toegewezen, maar heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen afgewezen. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om onderzoek te doen naar de omgang tussen de man en de minderjarige, gezien de complexe relatiegeschiedenis en de zorgen over de situatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/200946 / FA RK 25-1562
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 12 december 2025
inzake
[man],
wonende in Twijzelerheide,
hierna ook te noemen: de [man] ,
advocaat mr. H. de Jong, kantoorhoudende te Burgum,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan ten aanzien van alle verzoeken:
[de moeder],
wonende in Jubbega,
hierna ook te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Bou-Asrar, kantoorhoudende te Leeuwarden,
[de oma] ,
wonende in Jubbega,
in haar hoedanigheid van voogd over de minderjarige [minderjarige] ,
hierna ook te noemen: de oma,
advocaat mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan ten aanzien van de erkenning:
mr. S.C. Bosch,kantoorhoudende te Dokkum,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] .

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ontvangen op 3 juli 2025;
- de beschikking benoeming bijzondere curator van deze rechtbank van 18 augustus 2025;
- het advies van de bijzondere curator, ontvangen op 15 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 27 oktober 2025;
- een bericht van de man met een mededeling over productie 5, ontvangen op 31 oktober 2025;
- een bericht van de man met productie 5, ontvangen op 3 november 2025;
- het aanvullende verweerschrift van de moeder, ontvangen op 10 november 2025.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 14 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de man en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat;
- de oma en haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad).

2.Vooraf

2.1.
De advocaat van de man heeft voorafgaand aan de zitting meerdere keren geprobeerd om productie 5 in het geding te brengen. De rechtbank heeft van hem echter alleen een incomplete productie 5 ontvangen, bestaande uit een e-mail van 27 oktober 2025 van de bij de man betrokken reclasseringswerker. Het verslag waar in deze e-mail naar wordt verwezen, ontbreekt. De rechtbank heeft het verslag van de reclasseringswerker dus niet kunnen meewegen - voor zover relevant - in haar beslissing.
2.2.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting productie 1 (bestaande uit een kopie van het proces-verbaal van aangifte van 15 mei 2025) opnieuw overgelegd, omdat de digitale versie slecht leesbaar was. De belanghebbenden hebben hiermee ingestemd.

3.De feiten

3.1.
De man en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
3.2.
Uit hun relatie is geboren [minderjarige] , op [geboortedag] 2022, in de gemeente [geboorteplaats] .
3.3.
Op de geboorteakte van [minderjarige] staat de man als ‘aangever’ van haar geboorte geregistreerd.
3.4.
De moeder was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] minderjarig.
3.5.
De moeder heeft van 26 augustus 2021 tot 3 november 2022 onder toezicht gestaan van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid.
3.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juni 2022 is de oma benoemd tot voogd over [minderjarige] . De man en de moeder hebben geen ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.7.
De man en de moeder hebben niet officieel samengewoond. De moeder woont met [minderjarige] bij de oma.

4.Het geschil

4.1.
De man heeft verzocht om:
I. de toestemming van de moeder door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [minderjarige] ;
II. de man mede te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
III. een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat [minderjarige] een weekend per 14 dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man zal verblijven.
4.2.
De moeder heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn verzoeken, althans hem deze te ontzeggen. De moeder heeft bij zelfstandig verzoek verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen.
4.3.
De oma heeft op de zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoeken danwel tot afwijzing daarvan.
4.4.
De bijzondere curator heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek van de man tot vervangende toestemming van de erkenning.

5.De standpunten

5.1.
De manstelt dat hij de verwekker is van [minderjarige] . Hij is van mening dat de belangen van [minderjarige] door zijn erkenning niet worden geschaad. Ook worden de belangen van de moeder bij een ongestoorde relatie met [minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW, niet geschaad. Op de zitting heeft de man zijn verzoek om met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast, ingetrokken. Het gaat hem vooral om het hebben van contact met [minderjarige] . Hij heeft [minderjarige] niet meer gezien sinds april 2025. De man acht het in het belang van [minderjarige] dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld, waarbij zij van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij hem verblijft. Dan heeft hij ook omgang met zijn andere kind, [naam kind] , uit een andere relatie. De man begrijpt dat de contacten tussen hem en [minderjarige] eerst onder begeleiding van een derde moeten worden opgebouwd.
5.2.
De moederstelt dat zij en de man een knipperlichtrelatie hebben gehad. De man heeft volgens de moeder voor, tijdens en na de geboorte niet of nauwelijks interesse getoond in [minderjarige] . Hij heeft [minderjarige] ook niet willen erkennen. Hij is samen met de oma naar het gemeentehuis geweest met de bedoeling om de erkenning te regelen, maar daar heeft hij op het laatste moment vanaf gezien. Zij heeft nooit met de man samengeleefd, ook niet toen [minderjarige] was geboren. In de relatie van partijen was veel ruzie, geweld en drugsgebruik door de man. De onderlinge communicatie tussen de ouders over [minderjarige] verliep niet goed en het inschakelen van hulp door de moeder lukte daardoor ook niet. De moeder stelt dat de relatie ongelijkwaardig was en dat zij angst had om de relatie te beëindigen. Zij vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat de man haar erkent. De man moet eerst zijn leven wat beter op de rit hebben. De man is veroordeeld voor geweld tijdens de relatie met zijn eerdere partner en de moeder heeft zorgen over zijn woonsituatie vanwege de slechte hygiëne en het drugsgebruik door de man. De moeder wil [minderjarige] hier niet aan blootstellen. Daarom is zij van mening dat er geen onbegeleide omgang of omgang in de woning van de man of zijn partner kan plaatsvinden. De moeder krijgt nu traumabehandeling vanwege alle gebeurtenissen tijdens de relatie met de man. Ze krijgt paniekaanvallen bij de gedachte dat zij weer contact moet hebben met de man. Begeleiding van de omgang is ook nodig omdat [minderjarige] kindsignalen heeft laten zien. Zij is getuige geweest van het huiselijk geweld door de man richting de moeder, aldus de moeder.
5.3.
De omavindt erkenning door de man niet in het belang van [minderjarige] , hoewel zij het wel belangrijk vindt dat op papier staat van wie [minderjarige] afstamt. Het risico bestaat dat de moeder paniekaanvallen krijgt door een erkenning door de man. De oma kan de moeder niet goed ondersteunen als zij paniekaanvallen heeft. De man moet eerst hulp krijgen voor zijn eigen problematiek. Hij heeft in het verleden genoeg kansen gehad. Hij heeft bij de aangifte van de geboorte van [minderjarige] er zelf voor gekozen om haar niet te erkennen. De oma is van mening dat de Raad nader onderzoek moet doen.
5.4.
De bijzondere curatorstelt zich na de gesprekken met de ouders en de oma op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is dat op papier komt te staan dat de man haar juridische vader is. Zij is van mening dat de vervangende toestemming moet worden verleend. Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] en dat [minderjarige] in de beginjaren van haar leven ook door de man is opgevoed en verzorgd. [minderjarige] weet wie haar vader is. De bijzondere curator gaat ervan uit dat de moeder en de oma in staat zijn om deze erkenning een plekje te geven, zodat dit geen negatieve weerslag heeft op de ontwikkeling van [minderjarige] . De oma en de moeder hebben aangegeven dat zij daarvoor hulp willen aanvaarden.
5.5.
De Raadheeft op de zitting aangegeven dat er in 2021 en 2022 onderzoeken door de Raad zijn gedaan naar een ondertoezichtstelling van de moeder en later de voogdij over [minderjarige] . De Raad had de rechtbank geadviseerd om een voogdijinstelling met de voogdij over [minderjarige] te belasten, omdat hij het risico aanwezig achtte dat de moeder en de oma tegenover de man zouden komen te staan als de oma de voogdij zou krijgen. De Raad concludeert dat dit nadien kennelijk ook is gebeurd. De Raad ziet niet in dat door de erkenning van de man de belangen van [minderjarige] of de belangen van de moeder bij een ongestoorde relatie met [minderjarige] worden geschaad. Het is in het belang van [minderjarige] dat juridisch vaststaat van wie zij afstamt.

6.De beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW is de ontbrekende schriftelijke toestemming van de moeder (van het kind dat jonger is dan zestien jaar) en/of van het kind (van twaalf jaar of ouder) vervangbaar door die van de rechter, indien:
a. de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en
b. de man de verwekker is van het kind.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de wet voor de toestemming tot erkenning niet vereist dat de moeder het gezag (nog) heeft. Die eis volgt evenmin uit de wetsgeschiedenis of jurisprudentie. Ook is geen toestemming van de voogd vereist. Dit wordt bevestigd door het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, locatie Leeuwarden, in de beschikking van 19 februari 2013. [1] Dit betekent dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.
6.3.
Niet ter discussie staat dat de man de verwekker is van [minderjarige] , zodat de rechtbank hier vanuit zal gaan. Daarmee is aan het hiervoor sub b genoemde criterium voldaan.
6.4.
Op grond van de ontstaansgeschiedenis moet artikel 1:204 lid 3 BW zo worden uitgelegd, dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen, dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen het belang van de moeder en [minderjarige] bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is daarbij in artikel 1:204 lid 3 BW nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind.
6.5.
De rechtbank is van oordeel dat bij het afwegen van het belang van [minderjarige] en de man om hun relatie rechtens als een familierechtelijke rechtsbetrekking erkend te zien en het belang van de moeder bij een ongestoorde relatie met [minderjarige] , deze afweging in het voordeel van de man uitvalt. De rechtbank legt dit als volgt uit.
6.6.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat juridisch wordt vastgelegd van wie zij afstamt. Zij heeft geen concrete aanwijzingen ontvangen dat het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind worden geschaad door de erkenning. De rechtbank ziet dat de moeder vooral bang is voor eventuele vervolgstappen na de erkenning, zoals omgang tussen de man en [minderjarige] en dat zij in dat verband enige vorm van contact met de man zal hebben. Erkenning van het kind staat echter los van omgang met het kind. De rechtbank weegt mee dat de moeder al hulp krijgt bij het verwerken van haar trauma's, er hulpverlening van DienZorg is betrokken bij [minderjarige] en bij het gezin van de oma en dat de moeder nog steeds bij de oma woont. De oma speelt een belangrijke en ondersteunende rol in de zorg en opvoeding van [minderjarige] en neemt de beslissingen. De moeder staat er niet alleen voor.
6.7.
De rechtbank laat in het midden of de man ten tijde van de aangifte van de geboorte van [minderjarige] ervoor heeft gekozen om haar niet meteen te erkennen, zoals de oma stelt, of dat de man [minderjarige] niet mocht erkennen van de moeder en de oma, omdat hij verwikkeld was in een strafrechtprocedure, zoals de man stelt. Beide stellingen zijn niet met stukken onderbouwd en kunnen niet op hun juistheid worden beoordeeld.
Gezag
6.8.
De man heeft het verzoek om met het gezamenlijk ouderlijk gezag te worden belast ingetrokken. De rechtbank hoeft niet meer te beslissen op dit verzoek.
Omgang
6.9.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. In lid 2 is - kort gezegd - bepaald dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt.
6.10.
De rechtbank is van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De bijzondere curator heeft op de zitting bovendien onweersproken naar voren gebracht dat [minderjarige] weet dat de man haar vader is en dat zij in de eerste jaren van haar leven met de man is opgegroeid. Daarom is er sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] , zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 1 BW.
6.11.
De advocaat van de man heeft in het verzoek de moeder en niet de oma als verweerder genoemd. Op de zitting is uitvoerig de discussie gevoerd of dit de ontvankelijkheid van het verzoek van de man in de weg staat. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De wet maakt namelijk geen onderscheid tussen de begrippen ‘verweerder’ en ‘belanghebbenden’. [2] Uit het door de man ingediende verzoek en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat de man de oma als belanghebbende aanmerkt. Hij stelt immers, en dat is ook niet in geschil, dat de oma de voogdij heeft over [minderjarige] . De oma neemt in die hoedanigheid de beslissingen over [minderjarige] . De rechtbank heeft de oma in haar oproepbrief van 9 september 2025 uitgenodigd om ter zitting te verschijnen en haar het verzoek van de man toegestuurd. De rechtbank heeft de oma aldus als belanghebbende aangemerkt. De oma is in gesprek geweest met de bijzondere curator, in de procedure verschenen, ter zitting bijgestaan door een advocaat en zij heeft inhoudelijk verweer gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de oma door de behandeling van de voorliggende verzoeken niet in haar processuele belangen is geschaad.
6.12.
De Raad heeft op de zitting verklaard zich zorgen te maken over [minderjarige] , de ouders en hun problematiek. De Raad is bereid om nader onderzoek te doen naar het belang van [minderjarige] bij omgang met de man en naar de mogelijkheden hiertoe.
6.13.
De rechtbank ziet aanleiding om een onderzoek door de Raad te gelasten naar de omgang, gelet op de tumultueuze relatiegeschiedenis van partijen, waarin onder meer sprake is geweest van huiselijk geweld. Omdat de stukken over de achtergrond en het verloop van de relatie summier zijn, acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over de omgang tussen de man en [minderjarige] .
6.14.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de omgang aanhouden in afwachting van het onderzoek en advies van de Raad.
Hoofdverblijfplaats van [minderjarige]
6.15.
De moeder heeft verzocht om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar is.
6.16.
De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de moeder geen ouderlijk gezag over haar heeft.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoeken;
7.2.
verleent [man] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator als beëindigd;
7.5.
wijst het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen af;
7.6.
verzoekt de Raad om:
- onderzoek te verrichten naar de
omgangtussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ;
- de rechtbank
uiterlijk op 14 april 2026te rapporteren en te adviseren, althans te berichten over de voortgang van het onderzoek;
7.7.
bepaalt dat de man, de moeder en de oma
uiterlijk binnen twee wekenna ontvangst van het rapport van de Raad door de rechtbank, de rechtbank schriftelijk berichten over:
- hun actuele standpunten ten aanzien van het advies van de Raad en het/de voorliggende verzoek(en);
- hoe de procedure voortgezet moet worden;
7.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.J.M. Plat, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
- door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
fn: 679

Voetnoten

1.ECLI:GHARL:2013:BZ4199
2.Vgl. artikel 2.2. Procesreglement familie – en jeugdrecht rechtbanken, versie vanaf 1 juli 2025 en