ECLI:NL:RBNNE:2025:5155
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor bedrijfspanden
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfspanden. Het verzoek is ingediend naar aanleiding van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, dat op 21 mei 2025 een omgevingsvergunning heeft verleend. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat het verzoek kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals mogelijk gemaakt door artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift van verzoekers te laat is ingediend, namelijk op 19 oktober 2025, terwijl de termijn voor indiening op 3 juli 2025 verstreken was. Het college had het besluit op 21 mei 2025 bekendgemaakt en gepubliceerd in het Gemeenteblad op 3 juni 2025, waarbij de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift duidelijk was aangegeven. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekers niet hebben aangetoond dat zij redelijkerwijs niet in verzuim zijn geweest.
Gezien deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft en heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier, en is openbaar uitgesproken op 1 december 2025.