Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie kinderopvangtoeslag naar aanleiding van de toeslagenaffaire, die door verweerder is afgewezen. Na diverse beroepsprocedures heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaar, waarna het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank beoordeelde vervolgens het bestreden besluit van 28 oktober 2024, waarbij eiseres haar beroepsgronden voor het toeslagjaar 2015 introk en zich richtte op het jaar 2010. Eiseres stelde dat verweerder institutioneel vooringenomen had gehandeld door aanvankelijk onterecht de toeslag te weigeren, maar verweerder had deze vergissing hersteld zonder terugvorderingen.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen en dat eiseres geen schade had geleden die compensatie rechtvaardigt. De enkele herhaling van bezwaarg gronden in beroep was onvoldoende voor vernietiging van het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter Ketelaars-Mast op 9 december 2025 in Groningen.