ECLI:NL:RBNNE:2025:5172

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/5052
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit ALO-kop en BRP-registratie van eiseres

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 9 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen behandeld. Eiseres is van mening dat zij recht heeft op de aanvullende tegemoetkoming voor alleenstaande ouders, de ALO-kop, maar de Belastingdienst heeft haar dit recht ontzegd op basis van de registratie in de Basisregistratie Personen (BRP), waarin zij als gehuwd staat geregistreerd. Eiseres stelt dat zij nooit met haar echtgenoot in Nederland heeft samengewoond en dat haar echtgenoot in 2011 is overleden in het buitenland. De rechtbank beoordeelt of de Belastingdienst terecht heeft besloten dat eiseres per 1 januari 2024 geen recht meer heeft op de ALO-kop. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat de BRP-registratie onjuist is. De rechtbank wijst erop dat de Belastingdienst verplicht is om de geregistreerde gegevens in de BRP te volgen en dat pas na een wijziging in de BRP de ALO-kop kan worden toegekend. Eiseres heeft weliswaar een overlijdensverklaring overgelegd, maar deze is nog niet gelegaliseerd, waardoor de registratie in de BRP niet kan worden aangepast. De rechtbank bevestigt dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5052

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit dat eiseres geen recht meer heeft op de aanvullende tegemoetkoming voor alleenstaande ouders (de ALO-kop). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die voor deze zaak van belang zijn.

Procesverloop

2. Op 17 november 2023 heeft verweerder het primaire besluit genomen dat eiseres vanaf 1 januari 2024 bij het voorschot kindgebonden budget geen recht meer heeft op de ALO-kop. Dit omdat er in de Basisregistratie Personen (BRP) bij eiseres een echtgenoot staat geregistreerd. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder mogen besluiten dat eiseres per 1 januari 2024 geen recht heeft op de ALO-kop?
3.1.
Eiseres voert aan dat zij in Nederland nooit heeft samengewoond met haar echtgenoot. Toen eiseres zo’n 15 jaar geleden in Nederland asiel aanvroeg, heeft zij aangegeven gehuwd te zijn en tegelijkertijd ook dat haar man nog in [land] was. In 2011 is haar echtgenoot in [land] overleden. De registratie in de BRP is dus eigenlijk niet juist. Eiseres heeft geprobeerd bij de gemeente de mutatie door te laten voeren, maar zij kon geen bewijs tonen van zijn overlijden. Geadviseerd is om haar echtgenoot via de rechtbank als vermist te laten registreren wat aan een overlijden gelijk wordt gesteld, maar dat vindt eiseres wel erg ver gaan. Ook gezien het feit dat verweerder nog niet eerder een probleem heeft gemaakt van de onjuiste BRP-registratie.
3.2.
In aanvulling op haar beroepsgronden heeft eiseres een vertaalde overlijdensverklaring overgelegd van haar echtgenoot. Hierin wordt vermeld dat haar echtgenoot is overleden in 2011. De gerechtelijke verklaring uit [land] is opgemaakt op 27 april 2013. Eiseres wijst erop dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat het voor verweerder ook volstaat, wanneer zij concreet kan aantonen dat de BRP-registratie niet juist is. Nu de overlijdensverklaring er is, heeft zij voldaan aan dat vereiste. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij met dit document naar de gemeente is gegaan om opnieuw aangifte te doen van overlijden, maar dat de gemeente de verklaring niet wil accepteren. Eiseres begrijpt niet waarom de verklaring niet volstaat.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op de ALO-kop. Bij het vaststellen van het toeslagenpartnerschap wordt gebruik gemaakt van de BRP en daarin is opgenomen dat eiseres in 2004 is gehuwd. Aan de hand van deze gegevens heeft eiseres dus een toeslagenpartner. Dit is eerst in 2023 bij verweerder bekend geworden door een controle. Daarom heeft hij eiseres laten weten dat zij geen ALO-kop meer zal ontvangen, ingaande vanaf 1 januari 2024. In reactie op het primaire besluit heeft eiseres in december 2023 aan verweerder gemeld dat haar partner jaren geleden is overleden in [land] . Daarop is haar uitgelegd dat zij bij de gemeente aangifte moet doen van overlijden en dat zij verweerder hiervan dan een afschrift moet zenden. Eiseres heeft in bezwaar te kennen gegeven dat de gemeente de aangifte niet in behandeling wil nemen omdat zij geen bewijs kan overleggen van haar partners overlijden. Verweerder heeft eiseres daarop geadviseerd hulp in te roepen van de [land] ambassade. Zowel in bezwaar als in beroep heeft dit niet geresulteerd in een document van aangifte van overlijden. Eiseres is verplicht om alle feiten betreffende haar burgerlijke staat, ook als die buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk door te geven aan de gemeente. Tot op heden staat zij in de BRP nog steeds geregistreerd als gehuwd. Zolang deze registratie niet wordt gemuteerd, zal eiseres dus geen recht hebben op de ALO-kop.
4.2.
Op de zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat de overlijdensverklaring die eiseres in beroep alsnog heeft overgelegd, niet voldoende is. De [land] overlijdensverklaring moet namelijk worden gelegaliseerd. Vervolgens moet eiseres met de gelegaliseerde akte, bij de gemeente aangifte van overlijden doen om de registratie in de BRP te laten muteren.
5.1.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiseres per 1 januari 2024 geen recht heeft op de ALO-kop. Op grond van de Wet kindgebonden budget (Wkgb) heeft de ouder die geen partner heeft, recht op een verhoging van het kindgebonden budget met de ALO-kop [1] . Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) zijn echtgenoten elkaars toeslagenpartner [2] . Als bestuursorgaan is verweerder gehouden aan de persoonsgegevens zoals deze zijn geregistreerd in de BRP [3] en daarin is bij eiseres een echtgenoot geregistreerd. Pas als het overlijden van haar echtgenoot in de BRP is verwerkt, kan verweerder die gewijzigde registratie ten grondslag leggen aan zijn besluitvorming. Eiseres heeft inmiddels weliswaar een document overgelegd waaruit het overlijden van haar echtgenoot zou kunnen blijken, maar doordat zij dit document (nog) niet heeft laten legaliseren is er geen sprake van een objectief verifieerbaar document. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming dus terecht ten grondslag gelegd dat eiseres vanwege de BRP-registratie geen recht heeft op de ALO-kop.
5.2.
Nu uit het voorgaande blijkt dat eiseres (nog) niet concreet heeft aangetoond dat de BRP-registratie onjuist is, kan haar stelling dat verweerder heeft toegezegd dat de besluitvorming in zo’n geval kan worden aangepast - los van de doorvoering van een wijziging in de BRP - onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet basisregistratie personen
Artikel 1.7
1. Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.
(…)
Wet op het kindgebonden budget
Artikel 2. Aanspraak en hoogte kindgebonden budget
(…)
6 De ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget van € 3.480.
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Artikel 5a
1. Als partner wordt aangemerkt:
a.de echtgenoot;
(…)

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 2, zesde lid, van de Wkgb.
2.Dit staat in artikel 5a, eerste lid, van de Awr.
3.Dit staat in artikel 1.7, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen.