ECLI:NL:RBNNE:2025:5174

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/5000
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugvorderingsbesluit kindgebonden budget, schending motiveringsbeginsel

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 9 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen het terugvorderingsbesluit van het kindgebonden budget voor het jaar 2024 behandeld. Eiseres is het niet eens met de terugvordering van € 2.202,- die door de Belastingdienst/Toeslagen is opgelegd. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit rechtmatig is en komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is met het motiveringsbeginsel. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet is gehoord en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank stelt vast dat er geen schending van de hoorplicht is, maar dat de motivering van het besluit inderdaad tekortschiet. Verweerder heeft echter alsnog inzicht verschaft in de terugvordering en heeft deze naar beneden bijgesteld tot € 929,-. Eiseres heeft deze bijstelling niet tegengesproken, waardoor de rechtbank dit bedrag vaststelt. De rechtbank oordeelt dat verweerder het griffierecht en de proceskosten aan eiseres moet vergoeden. De uitspraak wordt gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, in aanwezigheid van griffier K.D. Bosklopper.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova),
en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugvorderingsbesluit van het kindgebonden budget over het jaar 2024. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn.

Procesverloop

2.1.
Met de beschikking van 19 juli 2024 heeft verweerder van eiseres een bedrag teruggevorderd van € 2.202,-.
2.2.
Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn beslissing gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarna aanvullende gronden ingediend.
2.4.
Op 16 september 2025 heeft de rechtbank het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar vader, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van schending van de hoorplicht?
3.1.
Eiseres voert aan dat zij graag op haar bezwaren wilde worden gehoord. Er is haar geen hoorzitting aangeboden en zij kan zich ook niet herinneren daarvan te hebben afgezien.
3.2.
Verweerder stelt dat eiseres heeft afgezien van een hoorzitting.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht. In de stukken bevindt zich een gespreksnotitie van 18 november 2024. Hierin wordt onder andere vermeld dat eiseres afziet van het horen op haar bezwaar en dat zij vraagt het bezwaar te sluiten. Eiseres kan zich niet herinneren dat te hebben gezegd. Maar gelet op de inhoud van de gespreksnotitie, biedt dat onvoldoende aanleiding voor de rechtbank om te kunnen vaststellen dat de hoorplicht is geschonden.
Is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel [1] ?
4.1.
Volgens eiseres mist het bestreden besluit de vereiste dragende motivering. Uit de motivering van het bestreden besluit kan volgens haar niet worden afgeleid waar verweerder de terugvordering op heeft gebaseerd.
4.2.
Verweerder is het met eiseres eens dat de motivering het bestreden besluit niet kan dragen. Hij verzoekt de rechtbank om het besluit daarom te vernietigen en aan eiseres het griffierecht en de proceskosten te vergoeden.
4.3.
Overeenkomstig het standpunt van partijen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen het griffierecht en de gemaakte proceskosten te vergoeden aan eiseres.
5. Op verzoek van partijen zal de rechtbank nu zelf in de zaak voorzien. Dit leidt tot de volgende beoordeling.
Heeft verweerder op juiste gronden besloten van eiseres het bedrag terug te vorderen?
6.1.
Verweerder heeft zijn motivering aangevuld in zijn verweerschrift. Daarbij wordt ook de terugvordering naar beneden bijgesteld. Hij licht dit als volg toe. De vader van het kind werkt in [land] . [land] is het zogenoemde prioriteitsland. Het kindgebonden budget wordt dan aangevuld vanuit Nederland. Wat er in dit geval is gebeurd, is dat de vader tijdelijk niet heeft gewerkt. Dit betrof de periode tussen februari 2024 en april 2024. Door deze incidentele wijziging in de situatie, is er op eiseres een terugvordering ontstaan. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd nader uitleg gegeven over hoe het bedrag tot stand is gekomen. Onderaan de streep betekent dit voor eiseres dat van haar wordt teruggevorderd het bedrag van € 929,-.
6.2.
Eiseres geeft aan dat haar eerst door deze toelichting duidelijk is geworden hoe de (bijgestelde) terugvordering tot stand is gekomen en hoe het bedrag is berekend. Zij voegt hieraan toe het jammer te vinden dat verweerder deze uitleg niet in een eerder stadium heeft gegeven.
6.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en op de zitting uitgelegd hoe het kindgebonden budget het afgelopen jaar heeft kunnen afwijken van de voorgaande jaren. Hij heeft hiermee alsnog inzicht verschaft in hoe hieruit een terugvordering kon ontstaan en over de manier waarop deze vordering is berekend. Omdat eiseres op de zitting te kennen heeft gegeven dat zij de hoogte van de (gewijzigde) terugvordering verder niet tegenspreekt, stelt de rechtbank het bedrag daarvan vast op
€ 929,-.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank neemt zelf een beslissing [2] en bepaalt dat de terugvordering wordt vastgesteld op het bedrag van € 929,-.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 november 2024;
- herroept het besluit van 19 juli 2024;
- bepaalt dat terugvordering wordt vastgesteld op het bedrag van € 929,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 8:72
(…)
3 De bestuursrechter kan bepalen dat:
(…)
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

Voetnoten

1.Deze verplichting is neergelegd in Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.