ECLI:NL:RBNNE:2025:5188
Rechtbank Noord-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Oordeel over verkeersboete en de geldigheid van snelheidsmeting in een flauwe bocht
In deze zaak heeft de kantonrechter op 23 september 2025 uitspraak gedaan over een verkeersboete die aan de betrokkene was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De betrokkene had een boete van € 267,00 ontvangen voor het rijden van 22 km per uur boven de toegestane snelheid op een weg buiten de bebouwde kom, op 14 maart 2024. De betrokkene heeft tegen deze boete beroep aangetekend, maar de officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond. Hierna heeft de betrokkene het beroep voorgelegd aan de kantonrechter.
Tijdens de zitting heeft de betrokkene zijn bezwaren geuit tegen de snelheidsmeting, waarbij hij stelde dat de verbalisant niet in staat was geweest om zijn snelheid correct te meten vanwege de afstand en de omstandigheden. De vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. P. Veenstra, heeft de verklaring van de verbalisant verdedigd en betoogd dat er geen reden is om aan de meting te twijfelen. De kantonrechter heeft de argumenten van de betrokkene beoordeeld en geconcludeerd dat de snelheidsmeting correct was uitgevoerd en dat de boete terecht was opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en benadrukt dat het niet aan de betrokkene is om verkeersregels te overtreden, ongeacht zijn mening over het rijgedrag van de verbalisanten.
De uitspraak benadrukt het belang van de verklaring van de verbalisant in verkeerszaken en dat deze in beginsel voldoende is, tenzij er concrete omstandigheden zijn die aanleiding geven tot twijfel. De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om de boete te matigen en heeft de betrokkene erop gewezen dat klachten over het rijgedrag van verbalisanten bij de politie ingediend kunnen worden.