ECLI:NL:RBNNE:2025:5188

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
11559870 BU VERZ 25-380
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oordeel over verkeersboete en de geldigheid van snelheidsmeting in een flauwe bocht

In deze zaak heeft de kantonrechter op 23 september 2025 uitspraak gedaan over een verkeersboete die aan de betrokkene was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De betrokkene had een boete van € 267,00 ontvangen voor het rijden van 22 km per uur boven de toegestane snelheid op een weg buiten de bebouwde kom, op 14 maart 2024. De betrokkene heeft tegen deze boete beroep aangetekend, maar de officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond. Hierna heeft de betrokkene het beroep voorgelegd aan de kantonrechter.

Tijdens de zitting heeft de betrokkene zijn bezwaren geuit tegen de snelheidsmeting, waarbij hij stelde dat de verbalisant niet in staat was geweest om zijn snelheid correct te meten vanwege de afstand en de omstandigheden. De vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. P. Veenstra, heeft de verklaring van de verbalisant verdedigd en betoogd dat er geen reden is om aan de meting te twijfelen. De kantonrechter heeft de argumenten van de betrokkene beoordeeld en geconcludeerd dat de snelheidsmeting correct was uitgevoerd en dat de boete terecht was opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en benadrukt dat het niet aan de betrokkene is om verkeersregels te overtreden, ongeacht zijn mening over het rijgedrag van de verbalisanten.

De uitspraak benadrukt het belang van de verklaring van de verbalisant in verkeerszaken en dat deze in beginsel voldoende is, tenzij er concrete omstandigheden zijn die aanleiding geven tot twijfel. De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om de boete te matigen en heeft de betrokkene erop gewezen dat klachten over het rijgedrag van verbalisanten bij de politie ingediend kunnen worden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264881382
zaaknummer: 11559870 BU VERZ 25-380
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 september 2025
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ’22 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom’, verricht op 14 maart 2024, om 14:37 uur, op de Sintrale As in Noardburgum, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 267,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 september 2025 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P. Veenstra.
1.3
Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat hij werd ingehaald door een opvallend politievoertuig. Hij vond het rijgedrag van de bestuurder onverantwoord, gevaarlijk en een verkeerd voorbeeld voor andere weggebruikers. Hij heeft geprobeerd om in de buurt van de politieauto te blijven en de agenten met lichtsignalen bewust te maken van hun rijgedrag. Ongeveer een kilometer voor de afslag De Westereen besloot hij het op te geven omdat zijn signalen niet werden opgemerkt. Vlak daarna zag hij de remlichten van het politievoertuig oplichten. Toen hij voor het eerst zag dat hij inliep op het politievoertuig werd hem een stopteken gegeven en kreeg hij een bekeuring. Bij de staandehouding sprak hij de bestuurder van het politievoertuig aan op zijn rijgedrag. De verbalisant gaf aan dat hij niet verplicht was om zich aan de verkeersregels te houden. Daarnaast was hij aan het controleren of mensen op hun telefoon zaten en waren zij twee auto’s aan het achtervolgen die te hard reden. De verbalisant had de lichtsignalen van betrokkene niet gezien.
4. Betrokkene betwijfelt verder of de verbalisant op een juiste manier de snelheidsmeting heeft kunnen doen. De afstand tussen hem en de verbalisant was zodanig groot dat het zeer onwaarschijnlijk is dat hij de snelheid heeft kunnen constateren. Hij is zich wel bewust dat hij meerdere keren te hard heeft gereden. Verder vraagt hij zich af hoe de verbalisant heeft kunnen zien dat hij op hem in liep, terwijl de verbalisant zijn lichtsignalen niet heeft gezien. Betrokkene betwijfelt ook of de verbalisant hem heeft gezien voor de afslag De Westereen. De verbalisant heeft pas vier maanden na de boete een proces-verbaal opgemaakt, waardoor betrokkene de indruk heeft dat hij zijn verhaal heeft afgestemd op het beroepschrift van betrokkene. Op de zitting heeft betrokkene nog aangevoerd dat de tussenafstand van 130 en 100 meter niet klopt. Als de afstand groter werd, liep hij toch niet in op de verbalisant? Daarnaast is er ruim voor de afslag een flauwe bocht, waardoor de verbalisanten niet hebben kunnen zien of hij op hen inliep. Op een gegeven moment zijn de verbalisanten uit het zicht van betrokkene verdwenen. Vlak voor de bocht remden zij af en werd de afstand kleiner.
5. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Zij ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Dat deze betrokkenes lichtsignalen niet heeft gezien is daarvoor niet genoeg. De verbalisant verklaart dat de tussenafstand kleiner werd. De regels 9 en 10 van het zaakoverzicht kunnen daarnaast worden opgevat als een kennelijke verschrijving. Ten slotte kan een klacht over het rijgedrag van de verbalisant ingediend worden bij de desbetreffende politie-eenheid.
Overwegingen
6. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
7. De kantonrechter oordeelt dat de verkeersovertreding vastgesteld kan worden. Die is uitgebreid beschreven in een aanvullend proces-verbaal dat is ondertekend door twee verbalisanten. Het verweer van betrokkene geeft de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de snelheidsmeting, die door een getrainde agent is uitgevoerd. Het enkele feit dat de verbalisant de signalen van betrokkene niet heeft opgemerkt, laat onverlet dat hij betrokkene eerder heeft gezien dan net voor de afslag De Westereen. Daarnaast heeft de snelheidsmeting niet pas plaatsgevonden toen de verbalisant aan het remmen was. Betrokkene verklaart zelf dat de verbalisant juist remde om hem staande te houden. De verbalisant geeft aan dat de snelheidsmeting gedurende 1.000 meter heeft plaatsgevonden. Deze meting heeft gelet op de afstand dus al ver voor het remmen door de verbalisant plaatsgevonden. De kantonrechter ziet ook niet in waarom er in een flauwe bocht geen snelheidsmeting verricht kan worden. Op het moment dat iemand zichtbaar dichterbij komt, rijdt hij harder, ook in een flauwe bocht. Verder is er geen maximum meetafstand voorgeschreven. [1] De kantonrechter acht het aannemelijk dat de verbalisant op een afstand van 130 meter heeft kunnen zien dat betrokkene op hem in liep.
8. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen. Hij kan in deze procedure geen oordeel geven over het rijgedrag van de verbalisanten. Bovendien is het niet aan betrokkene om de verkeersregels te overtreden omdat hij vindt dat verbalisanten verkeerd rijgedrag vertonen. Betrokkene wist immers niet waarom zij zo snel reden. Als hij vindt dat verbalisanten verkeerd rijgedrag vertonen, kan hij daarover een klacht indienen bij de politie (en dat heeft hij ook gedaan).

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
mr. M. Hidding, griffier, is verhinderd om mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
dit proces-verbaal te tekenen.

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:814.