ECLI:NL:RBNNE:2025:5345

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/18/23/41
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling ondanks boedelachterstand

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 5 december 2025 de zaak betreffende de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van een schuldenares. De regeling was uitgesproken op 29 maart 2023. De bewindvoerder rapporteerde een boedelachterstand van € 2.063,20 die de schuldenares niet binnen de looptijd kon inlopen.

Tijdens de zitting op 28 november 2025 verklaarde de partner van de schuldenares bereid te zijn deze achterstand en de gemiste maandelijkse afdrachten van circa € 450,00 middels een gift te voldoen. De bewindvoerder en beschermingsbewindvoerder stemden hiermee in. De schuldenares kon zelf geen afdrachten doen vanwege haar woonsituatie en het ontbreken van een aanvullende bijstandsuitkering.

De rechtbank oordeelde dat ondanks de tekortkoming geen onmiddellijke beëindiging van de regeling gerechtvaardigd is. De schuldenares wordt aangespoord zich in te spannen om aan haar verplichtingen te voldoen en gewaarschuwd dat niet-naleving kan leiden tot hernieuwde beëindiging of gevolgen voor de schone lei. De voordracht tot beëindiging wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank weigert de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ondanks de boedelachterstand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/23/41 R
vonnis d.d. 5 december 2025
in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenares], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: de schuldenares.

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 maart 2023 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Door de bewindvoerder, de heer [bewindvoerder] , is op 19 maart 2025 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van het verloop van de schuldsaneringsregeling.
De schuldenares is, naar aanleiding van genoemd verslag, gehoord door de rechter-commissaris op 27 april 2025.
Bij schrijven van 9 september 2025 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris nader geïnformeerd.
De rechter-commissaris heeft vervolgens de voordracht gedaan de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 10 oktober 2025, alwaar de schuldenares is verschenen, vergezeld door haar beschermingsbewindvoerder de heer [beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij [bedrijf] . Namens de bewindvoerder is mevrouw [gemachtigde van bewindvoerder] verschenen.
De behandeling van de zaak is vervolgens voortgezet ter zitting van 28 november 2025, alwaar opnieuw de schuldenares, de heer [beschermingsbewindvoerder] en mevrouw [gemachtigde van bewindvoerder] voornoemd zijn verschenen. Tevens is verschenen de heer [partner schuldenares] , partner van de schuldenares.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenares één of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en of op die grond de regeling tussentijds moet worden beëindigd.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en hetgeen is besproken op de zittingen van 10 oktober en 28 november 2025, is onder meer het volgende gebleken.
De schuldenares heeft een achterstand in haar afdrachten aan de boedel laten ontstaan van € 2.063,20. De schuldenares is niet in staat om deze achterstand binnen de looptijd van de regeling in te lopen. Ter zitting van 28 november 2025 heeft de partner van de schuldenares aangegeven bereid te zijn de ontstane achterstand, middels een gift, voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling af te lossen.
De schuldenares heeft momenteel vanwege haar woonsituatie geen aanspraak op een aanvullende bijstandsuitkering. Om die reden kan zij momenteel geen afdrachten aan de boedel doen, terwijl dit wel mogelijk was geweest als zij wel aan de voorwaarden voor een bijzondere bijstand had voldaan. Tot aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling in maart 2026 loopt de boedelrekening daarom een bedrag van circa € 450,00 mis. De partner van schuldenares heeft eveneens aangeboden om dit bedrag middels een gift te voldoen.
De bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder hebben ter zitting aangegeven in te kunnen stemmen met het vorenstaande.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuldenares weliswaar is tekortgeschoten in haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat hieraan vooralsnog geen gevolgen verbonden worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de schuldenares zich in de nog resterende periode van de schuldsaneringsregeling tot het uiterste zal inspannen om aan haar verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling te voldoen, voor zover ze op haar van toepassing zullen zijn. Dit betekent ook dat de schuldenares tot het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe achterstanden in haar afdrachten aan de boedel mag laten ontstaan.
De rechtbank overweegt voorts dat de schuldenares zich dient te realiseren dat het (wederom) niet voldoen aan haar verplichtingen aanleiding kan geven tot een hernieuwde voordracht of verzoek tot tussentijdse beëindiging van de regeling, dan wel gevolgen zou kunnen hebben voor de verlening van de “schone lei” bij voortduren van de regeling. Dat geldt ook indien de door de partner gedane gift niet daadwerkelijk zou worden gedaan. Het is en blijft de verantwoordelijkheid van schuldenaar om er zorg voor te dragen dat verschuldigde afdrachten worden gedaan en ontstane achterstanden worden ingelopen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de voordracht afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:
- weigert de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenares.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Veenema en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.