ECLI:NL:RBNNE:2025:5355

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/18/25/331 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing van de hardheidclausule

In deze zaak heeft verzoekster op 12 september 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De behandeling vond plaats op 17 november 2025, waarbij verzoekster aanwezig was met een schuldhulpverlener van de Gemeentelijke Kredietbank Assen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster in een toestand verkeert waarin zij heeft opgehouden te betalen en dat zij een schuldenlast heeft van € 61.780,13, waaronder een vordering van de belastingdienst. Verzoekster heeft in de afgelopen jaren verschillende ondernemingen gehad, maar na de coronacrisis is haar laatste onderneming niet rendabel gebleken, wat heeft geleid tot een huurschuld en andere financiële verplichtingen.

De rechtbank overweegt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van een deel van haar schulden, maar dat er voldoende aanwijzingen zijn dat zij haar situatie onder controle heeft gekregen. Verzoekster heeft haar onderneming gestaakt, een dienstverband aanvaard en budgetbeheer ingesteld. De rechtbank concludeert dat de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat er sprake is van een bestendige gedragsverandering. Daarom wordt het verzoek tot toelating tot de Wsnp toegewezen, met een ingangsdatum die acht maanden eerder ligt dan gebruikelijk, op verzoek van verzoekster. De rechtbank benoemt mr. M.C. Groenewegen tot rechter-commissaris en stelt de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden, te rekenen vanaf 26 maart 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknummer: C/18/25/331 R

vonnis van 26 november 2025

in de zaak van:

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster.

PROCESGANG

Verzoekster heeft op 12 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 17 november 2025. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener] van de Gemeentelijke Kredietbank Assen (GKB).

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft een totale schuldenlast van € 61.780,13, waaronder een vordering van de belastingdienst van in totaal € 11.902,00. Een deel van de vorderingen heeft betrekking op de onderneming van verzoekster. Verzoekster heeft in de periode van 1 maart 2005 tot 1 december 2023 diverse ondernemingen gehad veelal vanuit huis. Na de coronacrisis heeft verzoekster een nieuwe onderneming gestart waarvoor zij een pand heeft gehuurd in [plaats] . Verzoekster heeft hiervoor een huurcontract afgesloten voor vijf jaar. Toen bleek dat de onderneming niet rendabel was heeft verzoekster de huur opgezegd. Hierdoor is een forse huurschuld ontstaan. Verzoekster heeft haar onderneming in december 2023 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat haar bij de start van de huurovereenkomst was voorgehouden dat aan de termijn van vijf jaar niet strak zou worden vastgehouden en zij weinig risico zou lopen. Het pand is vervolgens in handen van een andere verhuurder gekomen en deze verhuurder houdt wel vast aan de volledige huurtermijn.
De onderneming is inmiddels volledig beëindigd en verzoekster heeft een baan voor 35 uur per week gevonden. Verder is voor haar budgetbeheer opgestart. Volgens de budgetbeheerder loopt dit goed en ontstaat er geen nieuwe schulden.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Dit geldt voor de vordering van de belastingdienst bestaande uit onbetaalde omzetbelasting, inkomstenbelasting en motorrijtuigen belasting. Maar daarnaast ook voor de huurschuld. Verzoekster is op het moment dat zij al een flinke schuldenlast had een nieuwe onderneming gestart en langdurige financiële verplichtingen aangegaan. Hoewel verzoekster heeft verklaard dat haar de zaken anders zijn voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank een te groot financieel risico genomen.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft haar onderneming gestaakt en heeft een dienstverband aanvaard voor 35 uur per week. Daarnaast is voor verzoekster budgetbeheer ingesteld waardoor er geen nieuwe schulden meer ontstaan. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.

Ingangsdatum Wsnp

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Verzoekster heeft verzocht om de Wsnp acht maanden eerder in te laten gaan, omdat zij acht maanden (meer dan ) maximaal heeft afgedragen. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. Voorts heeft verzoekster gedurende deze maanden veelvuldig gesolliciteerd. De rechtbank ziet aan de hand hiervan aanleiding om de looptijd van de schuldsaneringsregeling in te laten gaan op de datum zoals hierna in het dictum bepaald.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] , voorheen gevestigd te [adres] ,
KvK-nummer [nummer] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 26 maart 2025, waardoor deze termijn eindigt op 26 september 2026;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,
en tot bewindvoerder mr. [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres]
;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brievenen telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
26 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.