De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 17 december 2025 een wrakingsverzoek van een partij tegen mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter in een civiele procedure. De verzoeker stelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door een procedurele beslissing omtrent een verzoek tot aanhouding van de procedure ter zitting. De verzoeker verwees tevens naar een vergelijkbare zaak waarin aanhouding wel was verleend.
De rechter stelde dat het wrakingsverzoek feitelijk gericht was tegen elke rechter die een zitting wil houden en benadrukte dat eerdere aanhouding was verleend vanwege ziekte van de verzoeker. De rechtbank overwoog dat wrakingsverzoeken moeten voldoen aan de norm van artikel 36 RvPro en artikel 6 EVRMPro, waarbij onpartijdigheid wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek zich richtte op een gangbare procedurele beslissing waarover geen wrakingsgrond bestaat. Er waren geen concrete feiten of omstandigheden die vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor aannemelijk maakten. Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en werd de procedure voortgezet in de stand zoals die was bij indiening van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.
Uitspraak
beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/250951 / KG RK 25/379
beslissing van de meervoudige kamer van 17 december 2025 op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. T.J. Sleeswijk Visser
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1.De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit: - het schriftelijke wrakingsverzoek van 16 december 2025;
- de schriftelijke aanvullingen op het wrakingsverzoek van 16 en 17 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 17 december 2025.
2.Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. T.J. Sleeswijk Visser, privaatrechter die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer [zaaknummer] .
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Daartoe heeft hij – kort en zakelijk samengevat – aangevoerd dat hij tijdig en gemotiveerd heeft verzocht om aanhouding van de procedure, wegens een lopende procedure bij het Committee against Torture. De rechter heeft voorafgaand aan de beslissing op het aanhoudingsverzoek een nieuwe zittingsdatum voorgesteld, het standpunt van de wederpartij opgevraagd zonder dit standpunt met de verzoeker te delen en medegedeeld dat het aanhoudingsverzoek ter zitting zal worden besproken. Daarnaast heeft de verzoeker verwezen naar een vergelijkbare zaak binnen dezelfde rechtbank, waarbij wel is besloten om de behandeling aan te houden om doorkruising van een mensenrechtenonderzoek te voorkomen. Gelet op vorenstaande stelt de verzoeker zich op het standpunt dat er redelijke twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter is ontstaan.
3.Het standpunt van de rechter
3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 17 december 2025.
3.2.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat de wraking in feite is gericht tegen elke behandelend rechter die een zitting wil houden. Eerder is wel aanhouding verleend, maar dat was ten gevolge van ziekte van de verzoeker.
4.De beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 vanPro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2.
Artikel 36 RvPro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 RvPro en artikel 6 EVRMPro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3.
De rechtbank overweegt dat het verzoek tot wraking zich richt op de procedurele beslissing van de rechter om het verzoek tot aanhouding ter zitting te bespreken. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een gangbare procedurele beslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel toekomt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond kan vormen voor wraking. [1] Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt verder dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
4.4.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
5.De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat de procedure met zaaknummer [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan - de verzoeker; - de gewraakte rechter, mr. T.J. Sleeswijk Visser; - de betrokken partij(en).
Aldus gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Gaastra als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.