ECLI:NL:RBNNE:2025:5435

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/2628
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bestuurlijke dwangsom door de minister van Justitie en Veiligheid

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen Mikx B.V. en de minister van Justitie en Veiligheid. De zaak betreft de weigering van de minister om een bestuurlijke dwangsom toe te kennen aan Mikx B.V. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft geweigerd de dwangsom toe te kennen, en vernietigt het bestreden besluit. Eiseres had op 8 november 2024 een aanvraag ingediend voor een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie. De minister heeft op 20 februari 2025 geweigerd om een bestuurlijke dwangsom toe te kennen, omdat hij van mening was dat de beslistermijn nog niet was verstreken. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank concludeert dat de beslistermijn aanvangt na ontvangst van de aanvraag en niet vanaf het contactmoment met de korpschef. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag niet tijdig heeft behandeld en dat hij de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- verschuldigd is aan eiseres. De rechtbank bepaalt verder dat de minister het griffierecht en de proceskosten aan eiseres moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

Mikx B.V., uit Groningen, eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. Oskam),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om de bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 november 2024 een aanvraag ingediend voor een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie. Eiseres heeft de minister 7 februari 2025 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Bij besluit van
20 februari 2025 heeft de minister geweigerd een bestuurlijke dwangsom aan eiseres toe te kennen wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van het toekennen van de bestuurlijke dwangsom gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. [2]
4. De minister stelt zich op het standpunt dat toen eiseres hem op 7 februari 2025 in gebreke stelde, de beslistermijn nog niet was verstreken. De beslistermijn van dertien weken is volgens de minister pas gaan lopen vanaf het contactmoment met de korpschef, dat op
13 december 2024 heeft plaatsgevonden. Gelet hierop concludeert hij dat de beslistermijn pas op 13 maart 2025 is verstreken. Ter onderbouwing verwijst de minister naar artikel 4, tweede lid, en 6a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm) en
naar onderdeel A/1.4.2.1 van de Circulaire wapen en munitie 2019 (Cwm).
4.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte het contactmoment met de korpschef hanteert als startpunt van de beslistermijn. Volgens eiseres volgt uit artikel 4, tweede lid, Wwm en onderdeel A/1.4.2.1 van de Cwm dat de beslistermijn aanvangt na ontvangst van de volledige aanvraag, te weten op 8 november 2024.
5. De stelling van de minister, dat uit de artikelen uit de Wwm en onderdeel A/1.4.2.1 van de Cwm volgt dat de beslistermijn aanvangt vanaf het contactmoment met de korpschef, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat de wet hierover geen uitsluitsel biedt. In artikel 4 van de Wwm staat weliswaar dat de minister de korpschef kan machtigen tot het uitvoeren van een onderzoek, maar hieruit volgt niet automatisch dat de beslistermijn pas aanvangt vanaf het contactmoment met de korpschef. Dat blijkt ook niet uit de tekst van de Cwm. Daarin is immers slechts bepaald dat de beoordeling van het verzoek plaatsvindt na ontvangst van het advies van de korpschef en dat het verzoek in principe binnen een termijn van dertien weken afgehandeld. Dat is iets anders dan dat de termijn van dertien weken aanvangt na ontvangst van het advies.
5.1.
Op 20 november 2007 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen door de Eerste Kamer aangenomen. In de praktijk bleek dat enkele wettelijke beslistermijnen op het terrein van justitie te krap waren. [3] Gelet hierop heeft een wetswijziging plaatsgevonden. De memorie van toelichting bij de wetswijziging zegt over de toen geldende beslistermijn het volgende. [4] In de Wwm was geen beslistermijn opgenomen, waardoor de beslistermijn van in beginsel acht weken na ontvangst van de aanvraag gold op grond van artikel 4:13 van de Awb. De minister kan ontheffing verlenen van voorschriften of verboden op grond van de Wwm. Een verzoek tot een dergelijke ontheffing vereist een bijzonder zorgvuldig onderzoek. In het kader van dit onderzoek wint de minister inlichtingen en advies in bij de korpschef van de regiopolitie. De wetswijziging voorziet in een beslistermijn van dertien weken, waardoor voldoende tijd wordt geboden om een zorgvuldig onderzoek te verrichten alvorens te beslissen op een verzoek tot ontheffing van de Wwm.
5.2.
Uit de nota naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer heeft de toenmalige staatssecretaris nader inzichtelijk gemaakt welke reden aan de verruiming van de beslistermijn van acht naar dertien weken ten grondslag ligt. [5] Voordat een verzoek voor advies wordt uitgezet bij de korpschef wordt het verzoek beoordeeld op volledigheid. In dat kader is meestal nadere correspondentie met de verzoeker nodig. Daarmee zijn meestal twee weken gemoeid. Met het doen van onderzoek en het uitbrengen van advies is in de praktijk zes weken gemoeid. De resterende tijd is nodig om het verzoek zorgvuldig te kunnen afhandelen, bijvoorbeeld door het vragen van nadere informatie aan verzoeker of de korpschef.
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat uit het samenstel van de wet, de CWM en de parlementaire geschiedenis volgt dat de beslistermijn aanvangt na ontvangst van de aanvraag en niet vanaf het contactmoment met de korpschef. De rechtbank vindt hiervoor steun in het feit dat de wetgever in de memorie van toelichting en de nota spreekt over een verruiming van de eerder geldende beslistermijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de nota blijkt dat het onderzoek dat door de korpschef wordt verricht verdisconteerd zit in de (verruimde) beslistermijn van dertien weken. Ter voorlichting van de minister merkt de rechtbank op dat hij de mogelijkheid heeft om de beslistermijn verder te verdagen op grond van de Cwm en de Awb. Van deze verdagingsmogelijkheden heeft de minister geen gebruik gemaakt. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte beslist dat de beslistermijn aanvangt vanaf het contactmoment met de korpschef. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb tot stand gekomen.
7. De rechtbank ziet met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De minister moest binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag beslissen. De minister heeft de aanvraag ontvangen op 8 november 2024. De beslistermijn eindigde in dit geval op 7 februari 2025. Eiseres heeft de minister op dezelfde dag in gebreke gesteld. Een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, kan toch als geldig worden aangemerkt. [6] De rechtbank zal de ingebrekestelling gelet op deze uitzondering als geldig aanmerken. Omdat de minister pas op 2 juni 2025 een beslissing op de aanvraag bekend heeft gemaakt, is hij de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom is verschuldigd ten bedrage van € 1.442,-.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.554,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juni 2025;
- herroept het besluit van 20 februari 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom is verschuldigd ten bedrage van
€ 1.442,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.554,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
Lid 1:Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
Lid 2:De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
Lid 3:De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Wet wapens en munitie
Artikel 4, lid 2
Onze Minister beslist binnen dertien weken op het verzoek tot ontheffing. Onze Minister kan de korpschef machtigen tot uitvoering van artikel 6a, eerste lid, onderdelen b, c en d, en derde lid.
Artikel 6a, lid 1, aanhef en onder b
Ontheffingen op grond van artikel 4, erkenningen op grond van artikel 9 en verloven op grond van de artikelen 28, 29 en 32 worden, onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 7, en in afwijking van artikel 2:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, slechts verleend indien:
[…]
de aanvrager heeft meegewerkt aan een door Onze Minister aangewezen onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er verhoogde kans is op de situatie bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c;
[…]
Circulaire wapens en munitie 2019
1.4.2.1. Verlening en verlenging
[…]Na ontvangst van het advies van de korpschef en/of Douane/CDIU vindt de beoordeling van het verzoek plaats. De aanvraag wordt in principe binnen een termijn van dertien weken afgehandeld. Indien nodig kan deze termijn met zes weken worden verlengd. […]

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 4:17 van de Awb.
3.Kamerstukken II 2008/09, 31769, nr. 3, blz. 1.
4.Kamerstukken II 2008/09, 31769, nr. 3, blz. 4.
5.Kamerstukken II 2008/09, 31769, nr. 6, blz. 5.
6.Dit volgt uit de Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.