ECLI:NL:RBNNE:2025:5450

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/18/240324 / FT RK 24/1433
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw en vrees voor niet-nakoming verplichtingen

In deze zaak heeft verzoeker op 20 november 2024 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp). Na een moratorium dat op 18 december 2024 werd verleend, heeft de schuldhulpverlener de rechtbank op 2 mei 2025 geïnformeerd over een vertraging in het minnelijk traject en verzocht om het Wsnp-verzoek een maand aan te houden. Dit verzoek werd gehonoreerd. Op 6 juni 2025 heeft de schuldhulpverlener de rechtbank verzocht het Wsnp-verzoek in behandeling te nemen, waarna op 29 oktober 2025 de zitting plaatsvond. Tijdens deze zitting is verzoeker gehoord, evenals de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlener.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b van de Faillissementswet, een verzoek tot toepassing van de Wsnp slechts kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank constateert dat verzoeker een strafbeschikking heeft gekregen voor geweld tegen politieagenten en dat hij nog een openstaande geldboete heeft. Daarnaast heeft verzoeker een eigen onderneming gehad die inmiddels is opgeheven, maar hij heeft niet voldoende informatie verstrekt over de financiële afwikkeling daarvan.

De rechtbank concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is, omdat hij afbetaalt op een schuld aan een schuldeiser terwijl andere schuldeisers onbetaald blijven, wat in strijd is met de gelijkheid van schuldeisers. Ook is er onvoldoende informatie verstrekt om het verzoek naar behoren te beoordelen. Bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de regels zouden rechtvaardigen zijn niet aangetoond. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot schuldsanering af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/240324 / FT RK 24/1433

vonnis van 12 november 2025

in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker.

PROCESGANG

Verzoeker heeft op 20 november 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
Na afloop van het bij vonnis van 18 december 2024 (definitief) verleende moratorium heeft de schuldhulpverlener de rechtbank bij brief van 2 mei 2025 geïnformeerd dat er in het minnelijk traject een vertraging is ontstaan en verzocht het Wsnp-verzoek nog een maand aan te houden.
Dat verzoek is gehonoreerd.
De schuldhulpverlener heeft de rechtbank op 6 juni 2025 per e-mail verzocht het Wsnp-verzoek in behandeling te nemen. Bij brief van 13 juni 2025 en bij mails van 18 en 28 juli 2025 zijn nadere stukken toegezonden.
Bij brief van 4 augustus 2025 heeft de rechtbank nadere stukken opgevraagd bij verzoeker.
De schuldhulpverlener heeft die stukken (deels) toegestuurd op 1 september 2025.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 29 oktober 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Tevens zijn verschenen de beschermingsbewindvoerder mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V., en de schuldhulpverlener mevrouw [schuldhulpverlener] , werkzaam bij [bedrijf 2] .

RECHTSOVERWEGINGEN

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van verzoeker dit aannemelijk te maken. Voorts wordt op grond van artikel 288, lid 1, onder c Fw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
In verband hiermee wijst de rechtbank op de “landelijke uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” (Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, bijlage III onder 7.3.4), waarin onder meer is opgenomen dat van een situatie als bedoeld in artikel 288, lid 1, onder b Fw in beginsel geen sprake is, indien in de in dit artikel genoemde periode van drie jaar schulden zijn ontstaan uit misdrijf of overtredingen, de verzoeker een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding heeft bijgehouden en beschikbaar is, en de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.
Uit het opgevraagde uittreksel Justitiële Documentatie, dat ter zitting met verzoeker besproken is, is gebleken dat aan verzoeker op 5 februari 2023 door het Parket van de Officier van Justitie Noord-Nederland een strafbeschikking is opgelegd in de vorm van een geldboete van € 300,00, waarvan thans nog € 219,91 open staat. Verzoeker heeft op 5 februari 2023 te Groningen geweld uitgeoefend tegen beroepsbeoefenaars van de politie. De geldboete is (nog) niet volledig door verzoeker betaald.
Voorts is gebleken dat verzoeker al enige tijd afbetaalt op een vordering van één van zijn schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd is met het zogenaamde paritas creditorum (gelijkheid van schuldeisers), en dat verzoeker niet te goeder trouw is door af te betalen op deze schuld en zijn andere schuldeisers onbetaald te laten. Dat verzoeker heeft verklaard zich bedreigd te voelen door bedoelde schuldeiser maakt dat oordeel niet anders.
Uit het verzoekschrift blijkt voorts dat verzoeker een eigen onderneming heeft gehad (“ [bedrijfsnaam] ”). Uit het uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat deze onderneming met ingang van 18 september 2024 is opgeheven. De rechtbank heeft navraag gedaan naar de financiële afwikkeling van deze onderneming. Daarover is ter zitting enkel verklaard dat de onderneming volledig afgewikkeld is. Er was wel een boekhouder, maar die heeft - volgens verzoeker - weinig voor hem gedaan. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat zij niet over enige boekhouding beschikt (omdat de boekhouder niets wilde afgeven) en dat zij meent dat er wel contact is geweest met de Belastingdienst, maar dat haar niet bekend is wat daar de uitkomst van is.
De rechtbank stelt vast dat uit het op 15 juli 2025 aan haar toegestuurde overzicht van de Belastingdienst blijkt van een schuldenlast van € 8.767,00, bestaande uit met name omzetbelasting over 2023 en 2024.
De rechtbank overweegt voorts dat zij verzoeker na indiening van het verzoekschrift verzocht heeft om nadere informatie te verstrekken. Deze informatie is door verzoeker niet of slechts gedeeltelijk aangeleverd, en ook ter zitting heeft verzoeker niet afdoende antwoord gegeven op vragen van de rechtbank. De rechtbank acht zich hierdoor onvoldoende geïnformeerd om het verzoekschrift naar behoren te beoordelen. Gezien de gebrekkige informatievoorziening moet naar het oordeel van de rechtbank ook worden gevreesd dat verzoeker zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de verplichting om de bewindvoerder nauwgezet te informeren, niet naar behoren zal nakomen.
De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat ten aanzien van verzoeker niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b en c Fw. Daarnaast is er sprake van een ontoereikende onderbouwing van het verzoek.
Bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven verzoeker niettemin tot de schuldsaneringsregeling toe te laten zijn niet aangevoerd of gebleken.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.