ECLI:NL:RBNNE:2025:5450
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw en vrees voor niet-nakoming verplichtingen
In deze zaak heeft verzoeker op 20 november 2024 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp). Na een moratorium dat op 18 december 2024 werd verleend, heeft de schuldhulpverlener de rechtbank op 2 mei 2025 geïnformeerd over een vertraging in het minnelijk traject en verzocht om het Wsnp-verzoek een maand aan te houden. Dit verzoek werd gehonoreerd. Op 6 juni 2025 heeft de schuldhulpverlener de rechtbank verzocht het Wsnp-verzoek in behandeling te nemen, waarna op 29 oktober 2025 de zitting plaatsvond. Tijdens deze zitting is verzoeker gehoord, evenals de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlener.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b van de Faillissementswet, een verzoek tot toepassing van de Wsnp slechts kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank constateert dat verzoeker een strafbeschikking heeft gekregen voor geweld tegen politieagenten en dat hij nog een openstaande geldboete heeft. Daarnaast heeft verzoeker een eigen onderneming gehad die inmiddels is opgeheven, maar hij heeft niet voldoende informatie verstrekt over de financiële afwikkeling daarvan.
De rechtbank concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is, omdat hij afbetaalt op een schuld aan een schuldeiser terwijl andere schuldeisers onbetaald blijven, wat in strijd is met de gelijkheid van schuldeisers. Ook is er onvoldoende informatie verstrekt om het verzoek naar behoren te beoordelen. Bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de regels zouden rechtvaardigen zijn niet aangetoond. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot schuldsanering af.