ECLI:NL:RBNNE:2025:5561

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
28 december 2025
Zaaknummer
25/963
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Besluit op bezwaar zonder adequate vertegenwoordiging van eiser

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 16 december 2025, wordt een besluit op bezwaar van de Minister van Financiën vernietigd. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M.A. Jansen, had bezwaar gemaakt tegen een afwijzing van een verzoek om overname van private schulden. De rechtbank oordeelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) door de gemachtigde van eiser niet de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken en haar niet in de gelegenheid te stellen om nadere gronden in te dienen. Dit heeft geleid tot een schending van fundamentele rechtsbeginselen, waardoor eiser niet adequaat zijn standpunt kon onderbouwen. De rechtbank benadrukt de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, vooral in het kader van de toeslagenaffaire, om het vertrouwen van de burger in de overheid te herstellen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/963

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat erover dat verweerder een besluit op bezwaar heeft genomen zonder de gemachtigde van eiser de op de zaak betrekking hebbende stukken te zenden, zonder haar in de gelegenheid te stellen nadere gronden in te dienen, zonder te reageren op haar verzoek om termijnverlenging voor het indienen van de gronden en zonder haar de gelegenheid te geven het bezwaar mondeling toe te lichten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat verweerder een nieuw besluit moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn.

Procesverloop

2. Sociale Banken Nederland (SBN) is de uitvoeringsorganisatie van verweerder. Eiser heeft bij SBN een verzoek ingediend voor overname van twee private schulden. Een schuld daarvan heeft eiser bij zijn ouders.
2.1.
Op 17 april 2024 heeft verweerder een bericht ontvangen van advocaat mr.
M. van Tiel (hierna: Van Tiel) te Den Haag.
2.2.
Met het primaire besluit van 30 april 2024 wordt het verzoek van eiser afgewezen.
2.3.
Op 5 juni 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
2.4.
Op 3 juli 2024 heeft verweerder een stelbericht ontvangen van advocaat mr.
M.A. Jansen (hierna: Jansen) te Heerenveen. Zij heeft daarbij verzocht om de stukken en om een termijn van vier weken voor het indienen van gronden van bezwaar.
2.5.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een brief en een verweerschrift. Eiser heeft zijn gronden aangevuld.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vindt eiser?
3.1.
De gemachtigde van verweerder (Jansen) heeft op haar stelbericht niets vernomen van verweerder. Bij telefonische navraag in december 2024 werd haar gemeld dat er nog een ontvangstbevestiging zal worden verzonden, maar zij heeft deze niet ontvangen. Verweerder heeft dus een besluit op bezwaar genomen zonder de gemachtigde van eiser de stukken te zenden, zonder haar in de gelegenheid te stellen nadere gronden in te dienen, zonder te reageren op haar verzoek om termijnverlenging voor het indienen van de gronden en zonder haar de gelegenheid te geven het bezwaar mondeling toe te lichten.
3.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit in strijd met de artikelen 6:17 en 7:2 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) is genomen. Verweerder heeft daarmee fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Verweerder heeft eiser de mogelijkheid onthouden in bezwaar zijn standpunt goed onderbouwd naar voren te kunnen brengen. Van een partij als verweerder mag verwacht worden dat men zich houdt aan de wettelijke voorschriften over procederen. Namens eiser verzoekt Jansen de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen en om verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen.
Wat vindt verweerder?
4.1.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven nadere gronden te zullen indienen, in samenspraak met zijn gemachtigde Van Tiel. Verweerder heeft daarop de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en de termijn voor het indienen van de gronden verlengd tot 18 juli 2024. Ook is eiser een hoorzitting aangeboden, waarbij hem dezelfde termijn is gegeven om te laten weten of hij van het aanbod gebruik wil maken. Daarna heeft Jansen de zaak overgenomen van Van Tiel.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende gelegenheid geboden is om de gronden aan te vullen. De termijn is immers verlengd tot 18 juli 2024. Ook is er geen reactie gekomen op het aanbod van een hoorzitting. Bovendien heeft Jansen zelf ook niet kenbaar gemaakt dat zij een hoorzitting wenste. Verder wijst verweerder erop dat de beslissing op bezwaar pas is genomen op 25 februari 2025. Al die tijd kon Jansen dus nog gronden indienen. Weliswaar is het dossier abusievelijk niet aan Jansen toegezonden, maar zij heeft vervolgens ook geen herhaald verzoek gedaan. Gelet op de hoedanigheid als professionele rechtsbijstandverlener, had het op de weg van Jansen gelegen om navraag te blijven doen wanneer iets niet duidelijk is. Van schending van enig rechtsbeginsel is daarom geen sprake, aldus verweerder.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog slaagt. Zij overweegt hiertoe als volgt.
5.1.
Uit de stukken blijkt dat Van Tiel zich niet heeft gesteld namens eiser. In zijn brief maakt hij ondubbelzinnig duidelijk dat hij zich stelt namens de ouders/schuldeisers van eiser.
5.2.
Uit de stukken blijkt dat (alleen) Jansen zich op 3 juli 2024 heeft gesteld namens eiser. Zij heeft verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en zij heeft gevraagd om een termijn voor het aanvullen van de gronden. Vast staat dat verweerder haar de stukken niet heeft verstrekt. Ook staat vast dat verweerder haar geen mogelijkheid en termijn heeft verleend voor het aanvullen van de gronden.
5.3.
In artikel 6:17 Awb staat het volgende: Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde.
5.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier sprake is van schending van artikel 6:17 Awb, omdat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken niet aan Jansen ter beschikking heeft gesteld. Omdat Jansen dus ook de brief waarin het recht om gehoord te worden niet heeft gekregen, heeft zij hier namens eiser niet op kunnen reageren. De beslissing op bezwaar is dus ook in strijd met artikel 7:2 Awb.
5.5.
De rechtbank is het verder met Jansen eens dat eiser op deze manier de mogelijkheid is onthouden in bezwaar zijn standpunt onderbouwd naar voren te kunnen brengen. Dit is in strijd met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding.
5.6.
De rechtbank voegt hier nog het volgende aan toe. Op de zitting is verweerder na uitgebreide bevraging, achter het standpunt blijven staan dat zijn handelwijze in dit geval geen of nauwelijks invloed kon hebben gehad op het bezwaar van eiser. De rechtbank heeft hiervan met verbazing kennis genomen. Zij hecht eraan te benadrukken dat juist in een procedure die verband houdt met de toeslagenaffaire, er een grote verantwoordelijkheid ligt bij het bestuursorgaan om het vertrouwen in de overheid bij de burger te herstellen. De rechtbank betreurt het zeer dat verweerder zich gedurende deze procedure aan die verantwoordelijkheid heeft onttrokken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
8.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. [1] De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 25 februari 2025;
  • draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wet- en regelgeving, voor zover van belang of in geschil

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:17
Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde.
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2 Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 8:72
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2 De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
(…)
4 De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;
b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.

Voetnoten

1.Dit is met toepassing van artikel 8:72, eerste, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.