ECLI:NL:RBNNE:2025:5582

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/5246
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake ontheffingen voor carbidschieten op oudejaarsdag 2025 met betrekking tot dierenwelzijn

Op 29 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over ontheffingen voor carbidschieten op oudejaarsdag 2025. Verzoekster, die twee paarden houdt in een stal op 130 meter van de schietlocatie, verzocht om een voorlopige voorziening omdat zij bezorgd was over de overlast voor haar dieren. De gemeenteraad had in de Algemene plaatselijke verordening (Apv) geen afstandseis tot dierenverblijven opgenomen, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat er strijd was met de algemene zorgplicht voor dieren. De voorzieningenrechter besloot dat de duur en het aantal melkbussen waarmee geschoten mag worden, gehalveerd moet worden om de overlast voor de paarden te beperken. De voorzieningenrechter wees het verzoek toe, waarbij het schieten alleen toegestaan is met vijf melkbussen van 14.00 uur tot 18.00 uur op oudejaarsdag. Tevens werd bepaald dat de gemeente het griffierecht en de proceskosten aan verzoekster moet vergoeden. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5246

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. D.J. Meijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf, verweerder
(gemachtigde: J. van Weperen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam 2]uit [woonplaats] (ontheffinghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over ontheffingen voor carbidschieten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe in zoverre dat hij een beperking oplegt aan de duur van het carbidschieten en aan het aantal melkbussen waarmee geschoten zal worden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Totstandkoming van het besluit en procesverloop

2.1.
Op 19 november 2024 heeft verweerder aan ontheffinghouder ontheffingen verleend voor carbidschieten op 31 december 2024. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Op 1 mei 2025 heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften van de gemeente Weststellingwerf hierover een advies uitgebracht. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Op 16 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Weststellingwerf de Algemene plaatselijke verordening geactualiseerd, wat heeft geleid tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening Weststellingwerf 2025 (Apv).
2.3.
Op 4 september 2025 heeft ontheffinghouder een aanvraag om ontheffing voor carbidschieten voor 31 december 2025 ingediend.
2.4.
Op 18 november 2025 heeft verweerder besloten voor de jaarwisseling 2025-2026 af te wijken van de eindtijden van het carbidbeleid 2014 en de eindtijd vast te stellen op 18.00 uur op oudejaarsdag.
2.5.
Bij het nu bestreden besluit van 19 november 2025 heeft verweerder besloten om aan ontheffinghouder ontheffingen te verlenen voor carbidschieten op 31 december 2025. Het betreft een ontheffing op grond van artikel 4:6 van de Apv om op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt en een ontheffing op grond van artikel 2:73a van de Apv voor het schieten met carbid op het terrein gelegen aan [adres 1] op oudejaarsdag tussen 10.00 uur en 18.00 uur. Aan de ontheffingen zijn voorschriften verbonden.
2.6.
Verzoekster woont op het [adres 2] . Zij houdt twee paarden, te weten een fokmerrie en een wedstrijddressuurpaard, in een paardenstal die zich op ongeveer 130 meter van de carbidschietlocatie bevindt [1] . Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de ontheffingen en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7.
Op 18 december 2025 heeft verzoekster bij verweerder een verzoek ingediend tot handhaving van de geluidsvoorschriften van artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Weststellingwerf (omgevingsplan). Bij besluit van 22 december 2025 heeft verweerder dit handhavingsverzoek afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
2.8.
Verweerder heeft op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en ontheffinghouder.
2.10.
Na sluiting van het onderzoek heeft verweerder een brief gezonden aan de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter zal dit stuk niet bij de beoordeling betrekken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Het gaat onder meer om het carbidbeleid 2014 (2.4.). Zoals ter zitting is besproken, is dit geen beleid in de zin van titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het niet als zodanig is bekend gemaakt. Wel kunnen deze regels aangemerkt worden als een vaste gedragslijn. De hierin genoemde voorwaarden a tot en met j zijn als voorschriften 1 tot en met 10 aan de ontheffingen verbonden.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de ontheffingen onder meer de voorschriften zijn verbonden dat de plaats van afschieten minimaal 100 meter is verwijderd van omliggende bebouwing en dat de ontheffingen alleen gelden voor ontheffinghouder. De aanvraag vermeldt echter uitdrukkelijk dat zich binnen 100 meter woningen bevinden (met verklaringen van geen bezwaar van de bewoners) en dat het carbidschieten door meerdere personen zal worden gedaan. Bij de heroverweging op bezwaar is het aan verweerder om te beoordelen hoe dit zich met elkaar verdraagt. Omdat dit niet van doorslaggevend belang is bij de beoordeling van het verzoek, zal de voorzieningenrechter hieraan geen gevolgen verbinden.
Afstand
4.1.
Artikel 2:73a van de Apv bevat geen bepaling over minimale afstanden tot bebouwing in het algemeen of woningen of dierenverblijven in het bijzonder. Naar verweerder in het verweerschrift en ter zitting onweersproken heeft gesteld, heeft de raad er in juni 2025 bij de actualisering van de Apv bewust voor gekozen (2.2.) om een dergelijk afstandsvereiste niet op te nemen.
4.2.
In de vaste gedragslijn wordt een minimale afstand van 100 meter tot bebouwing gehanteerd. Zoals hierboven vermeld (2.6.) is de afstand van de schietlocatie tot de paardenstal meer dan 100 meter. De ontheffingen zijn dus niet strijdig met het relevante afstandsvereiste.
4.3.
De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verzoekster dat het besluit onuitvoerbaar is omdat de geluidgrenswaarde van het omgevingsplan overschreden gaat worden. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4:6 van de Apv beoogt geluidshinder voor de buurt tegen te gaan. Een ontheffing van dat artikel dient voor het incidenteel toestaan van burengerucht. De geluidnormen van het omgevingsplan dienen om geluidgevoelige gebouwen te beschermen tegen hinder van niet-incidentele activiteiten zoals verkeer en industrie. Omdat het gaat om een ander toetsingskader, zal de voorzieningenrechter geen gevolgen verbinden aan een eventuele overschrijding door het carbidschieten van de geluidwaarden van artikel 22.63 van het omgevingsplan.
Belangenafweging en dierenwelzijn
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van ontheffinghouder bij een gezellige en sociale jaarafsluiting op het terrein van zijn familie staat tegenover het belang van verzoekster om het welzijn van haar dieren te waarborgen.
5.2.
Zoals in 4.1. is besproken heeft de raad er bewust voor gekozen om geen regel over de minimale afstand tussen carbidschietlocaties en dierenverblijven vast te stellen. Naar verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de raad daarbij ook de situatie die nu voorligt onder ogen gehad. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het beginsel van scheiding der machten en uit de gestelde belangenafweging door de raad volgt dat het niet aan hem is om bij afweging van de belangen dan toch een dergelijke afstandseis te hanteren.
5.3.
Toch wordt, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, het dierenwelzijn te zeer bedreigd door het carbidschieten in de toegestane vorm op zo korte afstand van de paardenstal. Dit leidt tot strijd met hogere regelgeving, te weten de door verzoekster genoemde algemene zorgplicht van artikel 1.4 van de Wet dieren. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om het bestreden besluit deels te schorsen en een voorziening te treffen. Over de inhoud van deze voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
5.4.
Bij de behandeling ter zitting hebben verzoekster en ontheffinghouder beiden (opnieuw) verklaard dat zij tot een vergelijk willen komen. Dit is echter vastgelopen op het punt van de locatie van het carbidschieten: ontheffinghouder wil beslist de goed geoutilleerde locatie op het terrein van zijn familie gebruiken en verzoekster wil niet dat het carbidschieten plaatsvindt op een locatie zo dicht bij haar paardenstal. Ontheffinghouder heeft naar voren gebracht dat hij bereid is om de tijdsduur van het schieten te beperken en om met minder dan tien melkbussen te schieten. Verzoekster heeft primair te kennen gegeven hierin geen oplossing te zien, maar subsidiair heeft zij hier wel voor gepleit.
5.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt voldoende aan de betrokken belangen tegemoetgekomen als het carbidschieten door kan gaan gedurende vier uren met vijf melkbussen. Op die manier is er voldoende ruimte om met carbidschieten het jaar uit te luiden terwijl het voor verzoekster beter haalbaar wordt om de overlast voor haar paarden te beperken.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat het schieten alleen toegestaan is met vijf melkbussen van 14.00 uur tot 18.00 uur.
6.2.
Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is verschenen ter zitting. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 907,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat de ontheffingen voor het carbidschieten op oudejaarsdag 31 december 2025 op de locatie [adres 1] gelden tussen 14.00 uur en 18.00 uur voor schieten met maximaal vijf melkbussen;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: regelgeving

Algemeen plaatselijke verordening Weststellingwerf 2025
Artikel 2:73a Gebruik van carbid
1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden op zodanige wijze dat gevaar, schade of overlast voor de omgeving kan worden veroorzaakt.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 4:6 Overige geluidshinder
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het verbod van lid 1 van dit artikel ontheffing verlenen.
3. Het verbod in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten, of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Carbidbeleid 2014(niet gepubliceerd)
In de APV Artikel 2.73a. lid 4 is geregeld dat het college van B&W ontheffingen kan verlenen in het kader van carbid gebruik en bezit. Aan deze ontheffingen zijn voorwaarden gekoppeld namelijk:
a. het is niet toegestaan om met een object groter dan met een maximale inhoud van 50 liter te schieten (standaard melkbus);
b. het is niet toegestaan om een hard voorwerp, zoals een deksel van een melkbus, als afsluiter te gebruiken, tenzij deze door middel van een koord of touw van voldoende sterkte en lengte blijvend aan de melkbus of soortgelijk gebezigd object verbonden blijft;
c. het afschieten mag uitsluitend plaatsvinden op oudejaarsdag tussen 10.00 uur en nieuwjaarsdag 02.00 uur;
d. de plaats van het afschieten bedraagt tenminste 100 meter ten opzichte van omliggende bebouwing;
e. toeschouwers moeten op een afstand worden gehouden van tenminste 10 meter van de plaats van het afschieten;
f. de plaats van het afschieten moet worden gemarkeerd door een duidelijke afzetting, bijvoorbeeld met linten of hekken;
g. er mag niet worden geschoten in de richting van personen of nabijgelegen gebouwen;
h. de houder van deze ontheffing is aansprakelijk voor eventuele schade en letsel;
i. deze ontheffing geldt alleen voor de ontheffinghouder en niet voor diens rechtverkrijgenden
j. Een maximum van 10 melkbussen per locatie wordt ingesteld om geluidsoverlast te beperken;
k. Jaarlijks worden er voor maximaal 12 locaties ontheffingen afgegeven waar met carbid geschoten kan worden.
l. Aanvragen moeten in week 44 aangevraagd zijn. Aanvragen die na week 44 binnenkomen, worden nog wel behandeld tot week 48, de leges worden dan wel verdubbeld. Aanvragen die binnenkomen na week 48 worden niet meer behandeld.
Het is noodzakelijk een strakke deadline te hanteren waarna geen ontheffingen meer verleend mogen worden, dit in verband met de mogelijkheid om bezwaar te kunnen doen voor belanghebbenden. Ook borgt dit de zorgvuldigheid van het ambtelijke apparaat om wel of niet een ontheffing te kunnen verlenen. Er zal
Ten aanzien van de controles door Toezicht en Handhaving zal er jaarlijks een terugkoppeling worden gedaan van de controles naar de ontheffinghouders. Overtreders lopen het risico om bij een nieuwe aanvraag een preventieve dwangsom (art 5:7 Awb) opgelegd te krijgen wordt opgelegd, in verband met de eerder vertoonde naleefgedrag van de overtreder. De aanvragers worden hierbij vooraf uitgenodigd door Handhaving om uitleg te krijgen over de voorwaarden van de vergunning en de mogelijke consequenties bij
overtredingen van deze voorwaarden. Ten aanzien van overtredingen van de voorschriften van de ontheffing 2013 wordt handhavend opgetreden. De aanpak is erop gericht om overtredingen te voorkomen.
Wet dieren
Artikel 1.4.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor dieren.
De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor dieren worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Voetnoten

1.De voorzieningenrechter gaat uit van de afstandsvermelding in het besluit op bezwaar van 6 oktober 2025 (2.1.). In het verweerschrift stelt verweerder dat de afstand 145 meter is.