ECLI:NL:RBNNE:2025:5607
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op grond van artikel 39 WWETGC inzake erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties
Veroordeelde stelde beroep in tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van 100.000 euro, waarvan nog 99.600 euro ten uitvoer moest worden gelegd. Het beroep werd behandeld door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarbij schriftelijke standpunten werden uitgewisseld en mondelinge behandeling plaatsvond op 10 september en 3 december 2025.
De kern van het geschil betrof de juistheid en volledigheid van het certificaat dat aan het beroep ten grondslag lag. Veroordeelde voerde aan dat het certificaat onvolledig of manifest onjuist was omdat het vermeldde dat hij woonachtig was in Nederland zonder Belgische belangen, terwijl hem in België betalingsfaciliteiten waren toegekend. De officier van justitie stelde dat deze kennelijke misslag was hersteld door een e-mail van de Belgische autoriteiten waarin de afbetalingsregeling van 50 euro per maand werd bevestigd.
De rechtbank stelde vast dat deze aanvullende informatie het certificaat corrigeerde en dat de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing had kunnen komen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ging niet in op de aanvullende opmerking van de raadsman over een hogere betalingsverplichting bij het CJIB, omdat deze niet als weigeringsgrond was aangevoerd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing.