de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De raadsvrouw heeft gesteld dat erkenning van de opgelegde beslissing tot confiscatie leidt tot een manifeste schending van verschillende grondrechten omdat in Nederland in het kader van de tenuitvoerlegging van de beslissing een lijfsdwang van maximaal drie jaren kan worden toegepast. Omdat dit niet kan in België behelst de erkenning een strafverzwaring. Dit is in strijd met artikel 19 lid 1 onder h van de Verordening 2018/1805, aldus de raadsvrouw.
6. De officier van justitie heeft gewezen op eerdere beslissingen van de rechtbank en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 januari 2019, gepubliceerd onder ECLI:EU:C:2019:7
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. In artikel 19, eerste lid aanhef en onder h, Verordening 2018/1805 is vastgelegd dat het mogelijk is om een confiscatiebevel niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen wanneer op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen is dat tenuitvoerlegging zou leiden tot een manifeste schending van een in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van de verdediging. Mocht de officier van justitie deze weigeringsgrond overwegen, zo stelt lid 2 van dit artikel, dan moet er overleg
plaatsvinden met de uitvaardigende autoriteit en kan de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit verzoeken alle benodigde gegevens te verstrekken. Dit benadrukt dat het verzoek tot erkenning niet lichtvaardig terzijde kan worden geschoven. Zoals ook in overweging (34) van de Verordening 2018/1805 is aangegeven, gaat het hierbij immers om een uitzondering op het binnen de Unie geldende onderling vertrouwen en op de veronderstelling dat alle lidstaten zich houden aan het recht van de Unie, met name de grondrechten. Dit artikel ziet daarmee op het onderliggende rechtsgeding waaruit de ten uitvoer te leggen veroordeling is voortgevloeid.
Er is niet gesteld noch gebleken dat er ten aanzien van het geding leidend tot de beslissing van 2 maart 2018 sprake is geweest van een manifeste schending van een grondrecht.
9. Artikel 23, lid 1, van de Verordening 2018/1805 luidt als volgt:
"Op de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is het recht van de uitvoerende staat van toepassing en de autoriteiten van die staat zijn als enige bevoegd te beslissen over de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen."
Daarnaast is in artikel 35, lid 1, van de WWETGC bepaald dat, voor zover het confiscatie-bevel betrekking heeft op een geldsom, het bevel ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig onder andere artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee heeft de Nederlandse wetgever uitdrukkelijk aangegeven dat in het kader van de tenuitvoerlegging van een beslissing tot confiscatie in de zin van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gijzeling (voorheen lijfsdwang) kan worden toegepast.
10. De rechtbank heeft in een eerdere procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag neergelegd of in Nederland eventueel lijfsdwang zou mogen worden toegepast en of het voor de toepassing verschil zou maken of de wettelijke regeling van de beslissingsstaat een dergelijke maatregel eveneens toestaat. Bij haar beslissing van 10 januari 2019 heeft het Hof van Justitie bepaald dat het toen toepasselijke Kaderbesluit 2006/783/JBZ zich niet verzet tegen toepassing van de wettelijke regeling van lijfsdwang, ook niet als de beslissingsstaat een dergelijke maatregel niet kent. De rechtsbeginselen die ten grondslag lagen aan het Kaderbesluit 2006/783/JBZ zijn gelijk aan de rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de Verordening 2018/1805. Er is slechts sprake van hercodificatie en - op enkele punten - uitbreiding van de binnen de Europese Unie toepasselijke regeling van het wederzijds erkennen en tenuitvoerleggen van beslissingen tot confiscatie. Daar komt bij dat het Kaderbesluit nog steeds van toepassing is naast de Verordening 2018/1805. De rechtbank acht de genoemde beslissing van het Hof van Justitie daarom ook van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebeslissingen bij toepassing van de Verordening 2018/1805 en de daaruit voortvloeiende bepalingen in afdeling 3 van de WWETGC.
11. De rechtbank verwerpt op grond van het bovenstaande het gevoerde verweer.
12. Veroordeelde heeft in een op schrift gesteld en naar de rechtbank gezonden pleidooi gewezen op het disproportionele en ontwrichtende effect die de uitvoering van het bijna zeven jaar oude bevel heeft. Veroordeelde verzoekt de rechtbank zijn persoonlijke en financiële situatie zorgvuldig mee te wegen.
13. De wetgever heeft in artikel 36 van de WWETGC bepaald dat de officier van justitie de erkenning alleen kan weigeren op één van de gronden bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 2018/1805. De persoonlijke omstandigheden van veroordeelde en de op dit moment bestaande (eventuele) betalingsonmacht, vallen niet onder één van deze gronden en maken niet dat de officier van justitie de in België gegeven beslissing tot confiscatie niet zou kunnen erkennen en tenuitvoerleggen. De wet- en regelgeving bieden de rechtbank geen mogelijkheid om bij haar beslissing in deze beroepsprocedure in enige vorm rekening te houden met de huidige persoonlijke en financiële omstandigheden van veroordeelde.
14. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.