Veroordeelde heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen uit 2018, waarbij een bedrag van 58.500 euro werd gevorderd.
De rechtbank toetst of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, zonder in te gaan op het buitenlandse rechtsgeding zelf. Veroordeelde voerde persoonlijke omstandigheden en betalingsonmacht aan als gronden tegen de tenuitvoerlegging.
De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden niet onder de wettelijk toegestane weigeringsgronden vallen en dat de rechtbank niet bevoegd is over de wijze van tenuitvoerlegging te beslissen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
De beslissing is genomen door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden op 17 december 2025, waarbij veroordeelde verstek liet gaan.