Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitspraak gedaan in een zaak waarin een beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). Het beroep was gericht tegen een beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel dat door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, België, was opgelegd. De veroordeelde had een bedrag van 58.500,00 euro te betalen, en het beroep was tijdig en correct ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling op 3 december 2025 was de veroordeelde niet aanwezig, maar had hij zijn standpunt schriftelijk aangevuld. De officier van justitie, mr. A.J. Kemkers, vertegenwoordigde het openbaar ministerie.
De rechtbank moest toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning had kunnen komen. De rechtbank oordeelde dat de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals betalingsonmacht, niet onder de weigeringsgronden vallen. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij niet bevoegd is om te beslissen over de wijze van tenuitvoerlegging in Nederland, aangezien het CJIB een zelfstandig orgaan is waarover de rechtbank geen zeggenschap heeft. De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruik van de weigeringsgronden en dat het beroep ongegrond is verklaard.