ECLI:NL:RBNNE:2025:5612

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
25/1557
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verhoging van een WIA-uitkering en de zorgvuldigheid van het Uwv-onderzoek

Deze uitspraak betreft de verhoging van de WIA-uitkering van eiser, die per 1 december 2022 is verhoogd van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% naar 65 tot 80%. Eiser is van mening dat deze verhoging onvoldoende is en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank oordeelt dat het Uwv zijn besluit zorgvuldig heeft genomen en dat er geen belemmering van effectieve rechtsbescherming is geweest. Eiser heeft zijn zaak in volle omvang kunnen voorleggen en de rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. De rechtbank wijst erop dat de verzekeringsarts Michel voldoende heeft gemotiveerd waarom een fysiek spreekuurcontact niet nodig was, en dat de rapportages van de verzekeringsartsen inzichtelijk en begrijpelijk zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffiekosten of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1557

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[naam] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: drs. H.C. van der Staay),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: A.B. Froentjes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verhoging van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA); per 1 december 2022 is die verhoogd van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80 %. Eiser vindt die verhoging niet genoeg. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De verhoging van de uitkering staat in het Uwv-besluit van 23 juli 2024. Met het besluit van 27 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 2025.
2.2.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, D.N. Awa (vervanger van eisers gemachtigde) en de gemachtigde van het Uwv.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiser was werkzaam als brood/banketbakker. Hij heeft zich op 24 oktober 2011 ziek gemeld met verschillende klachten. Het Uwv heeft eiser vanaf 21 oktober 2013 een WIA-uitkering toegekend. Op 21 januari 2024 heeft hij bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheid sinds 9 september 2022 slechter is geworden. Op het moment van die melding had hij een WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 63,70% (klasse 55 tot 65%). De verzekeringsarts M. Moerman heeft op 16 mei 2024 over eiser gerapporteerd. Op 22 juli 2024 hebben de arbeidsdeskundigen L. van Dijk en A. Bouma eisers arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,86% (klasse 65 tot 80%). In de bezwaarschriftprocedure heeft de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep E.A. Michel een onderzoek gedaan; daarna heeft het Uwv het besluit van 27 maart 2025 genomen en is deze procedure begonnen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat moet de rechtbank beoordelen?
4. In deze zaak speelt de vraag of het Uwv zijn besluiten heeft mogen nemen zonder dat zijn verzekeringsartsen eiser op een spreekuur hebben gezien. Verder speelt de vraag of het Uwv eiser terecht per 1 december 2022 heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheids-klasse van 65 tot 80%. In de bijlage staat een aantal artikelen dat voor deze zaak van belang is.
Wat vinden partijen?
5. Eiser vindt dat het Uwv het zorgvuldigheidsbeginsel [1] en het motiveringsbeginsel [2] heeft geschonden. De beslissing van 27 maart 2025 is namelijk gebaseerd op een beoordeling door Michel, zonder dat die een lichamelijk onderzoek heeft verricht. Zij heeft zich gebaseerd op oude dossiergegevens en heeft de nieuw aangevoerde klachten niet onderzocht; dat is in strijd met de vereiste zorgvuldigheid bij de voorbereiding van besluiten. Het besluit bevat ook geen inhoudelijke bespreking van eisers nieuwe medische klachten. De enkele mededeling dat er "geen toename van beperkingen is gebleken" is onvoldoende onderbouwing, temeer nu cliënt medische informatie heeft overgelegd die dit wel suggereert. Verder beroept eiser zich op een belemmering van effectieve rechtsbescherming [3] . Een besluit dat berust op onvolledige en verouderde medische informatie zonder serieus onderzoek naar nieuwe klachten beperkt immers zijn mogelijkheid om zijn zaak op zorgvuldige wijze voor te leggen aan een rechterlijke instantie. Eiser wil dat de rechtbank het Uwv opdraagt om een nieuw besluit te nemen op basis van een actueel en onafhankelijk medisch onderzoek. Subsidiair vraagt hij om een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
5.1
Op de zitting heeft eiser gezegd dat een volledige afkeuring hem rust zal geven en dat dan over twee jaar, als hij 65 jaar is, de WIA overgaat in de AOW. Verder had hij op zich wel naar het spreekuur van Moerman gekund; hij had gevraagd naar de mogelijkheden: het kon ook telefonisch. Achteraf vond hij het naïef van zichzelf dat hij niet naar het spreekuur is gegaan. Het was weliswaar niet anders gelopen als hij persoonlijk bij Moerman was geweest. Maar dan komt er toch de arbeidskundige beoordeling, waaruit blijkt dat hij nog vier uur per dag belastbaar was. Het rapport van Moerman is gekoppeld aan het rapport van de arbeidsdeskundigen over hem. Eiser heeft ten slotte gezegd dat hij het niet eens is met wat die schrijven.
6. Het Uwv wijst erop dat Michel een fysiek spreekuur niet nodig vond, omdat Moerman al uitgebreid met eiser had gesproken en hierover gedetailleerd heeft gerapporteerd. Verder is de datum waarom het in deze zaak gaat 1 december 2022 en tijdens haar onderzoek was er volgens Michel sprake van een medische situatie die sinds het onderzoek van Moerman en de datum 1 december 2022 al was veranderd. Daarom had een spreekuurcontact volgens haar geen toegevoegde waarde. Het Uwv verwijst in het verweerschrift naar de rapportage van Michel.
Wat vindt de rechtbank?
Hadden de verzekeringsartsen eiser op het spreekuur moeten zien?
7. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bepaald dat als de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en er in de primaire fase geen spreekuurcontact is geweest met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat de betrokkene in de bezwaarfase tijdens een spreekuurcontact moet worden onderzocht door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep. Er moet dus feitelijk sprake zijn van een contact met deze verzekeringsarts. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien als de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft [4] . Dat betekent in het geval van eiser dat, nu Moerman hem niet op haar spreekuur heeft gezien, Michel hem eigenlijk voor háár spreekuur had moeten oproepen. Daarom is de vraag aan de orde of zij voldoende heeft gemotiveerd dat een fysiek spreekuur geen toegevoegde waarde zou hebben als bedoeld in de uitspraken van de CRvB.
7.1.
Eiser ontkent niet dat de keuze om telefonisch contact te hebben met Moerman de zijne was. Het is begrijpelijk dat hij achteraf toch liever naar het spreekuur was gegaan, maar de gevolgen van zijn keuze komen voor zijn eigen rekening. Daarbij komt dat Moerman eiser uitgebreid telefonisch heeft gesproken en een uitgebreid rapport heeft opgemaakt, waarin zij de voorgeschiedenis van eiser weergeeft en het verhaal van eiser uitvoerig heeft opgetekend. Eiser heeft Moerman verteld over de belemmeringen die hij ervaart, over zijn medische klachten, over zijn behandelingen en over de medicijnen die hij gebruikt. Ook staat er in het rapport informatie over eisers zelfzorg in het dagelijks leven, over zijn functioneren binnens- en buitenshuis en over de manier waarop hij zijn dag doorbrengt.
7.2.
Vervolgens heeft Moerman in kaart geacht wat de aandoeningen en medische beperkingen van eiser zijn. Deels waren die gelijk gebleven, deels was er nieuwe problematiek die stabiel was en deels was er nieuwe, actieve problematiek. Moerman heeft op een rij gezet wat dit voor eisers arbeidsmogelijkheden betekent en heeft een zogenaamde Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin die mogelijkheden zijn vastgelegd. Moerman noteert in haar rapport nog dat het spreekuur inderdaad telefonisch is uitgevoerd, zodat een zichtbare algemene indruk niet mogelijk was. Haar indruk was dat eiser erg zijn best deed om zijn belemmeringen en visie goed op haar over te brengen. Tot zover Moerman.
7.3.
De conclusie moet zijn dat, ondanks het feit dat eiser gekozen heeft voor een beperkter, telefonisch contact, niet is gebleken dat Moerman iets heeft gemist. Eiser heeft niet concreet gemaakt op welke punten dat dan het geval zou moeten zijn. Ook heeft hij niet duidelijk gemaakt wat hij op een fysiek spreekuur meer of anders aan Moerman had verteld. Kennelijk is zijn verhaal goed op haar overgekomen. Aan het feit dat het spreekuur alleen telefonisch heeft plaatsgevonden, hoeven dan ook geen gevolgen verbonden te worden.
7.4.
Verder heeft Michel – die eiser dus eigenlijk in de bezwaarschriftprocedure op haar fysieke spreekuur had moeten uitnodigen – goed gemotiveerd waarom zij dat niet heeft gedaan. Op de hoorzitting van 26 maart 2025, waar Michel niet bij was, kwam naar voren dat er bij eiser na het besluit van 23 juli 2024 (helaas) een verdere verslechtering was opgetreden; die kon in deze procedure niet worden meegenomen. Verder ging het over een datum die al wat verder in het verleden lag (1 december 2022) en lag er het uitgebreide rapport van Moerman. Dat waren redenen voor Michel om eiser niet op haar spreekuur te zien. Deze redenen zijn aanvaardbaar. Dat alles neemt niet weg dat ook Michel op 6 maart 2025 een uitgebreid rapport heeft geschreven, waarin zij het rapport van Moerman heeft beoordeeld; ook heeft zij daarin nieuwe medische informatie meegenomen. Zij was het met Moerman eens. Het besluit van 27 maart 2025 bespreekt de klachten van eiser inderdaad niet inhoudelijk, maar verwijst daarvoor naar het rapport van Michel, dat deel uitmaakt van dat besluit.
Strijd met artikel 6 van het EVRM?
7.5.
Verder is er, anders dan eiser vindt, geen belemmering van een effectieve rechtsbescherming geweest als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (het eerlijke proces). Uit niets blijkt dat het besluit van 27 maart 2025 berust op onvolledige en verouderde medische informatie zonder serieus onderzoek naar nieuwe klachten. Het Uwv heeft de medische gegevens die relevant waren voor de datum 1 december 2022 beoordeeld en de nieuwe aandoeningen van na het besluit van 23 juli 2024 wel benoemd, maar deze buiten beschouwing gelaten, omdat die in deze procedure niet konden meewegen (eiser zou voor die nieuwe aandoeningen, zoals op zitting besproken, een herkeuring kunnen aanvragen). Verder heeft eiser zijn zaak in volle omvang aan de rechtbank kunnen voorleggen, inclusief de vraag of de procedure formeel wel goed is verlopen (zie onder 7 tot en met 7.4).
Is het standpunt van het Uwv inhoudelijk juist?
7.6.
De Uwv-artsen hebben een zorgvuldig onderzoek gedaan. Zij hebben, zoals boven al aangegeven, de voorgeschiedenis van eiser in kaart gebracht en zijn aandoeningen en beperkingen vastgesteld. Moerman en Michel hadden de relevante medische informatie over eiser in hun dossier zitten. Hun rapportages zijn begrijpelijk en inzichtelijk opgeschreven en zij hebben goed uitgelegd hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. In die rapportages staan geen tegenstrijdigheden. Al met al heeft het Uwv zijn standpunt deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd die twijfel wekt aan deze conclusie. Er is dan ook geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
7.7.
Verder heeft eiser gelijk dat het rapport van Moerman gekoppeld is aan de arbeidskundige beoordeling door Van Dijk en Bouma. Die zijn namelijk uitgegaan van de FML van Moerman. Deze arbeidsdeskundigen hebben in hun rapport van 22 juli 2024 op begrijpelijk wijze opgeschreven voor welke functies zij eiser, met zijn medische beperkingen, nog geschikt vinden. De knelpunten (“signaleringen”) die in deze functies voorkomen hebben zij duidelijk toegelicht. Op basis van deze functies hebben Van Dijk en Bouma bepaald dat eiser voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze arbeidskundige beoordeling, maar heeft niet concreet uitgelegd waarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep slaagt niet. De rechtbank zal het ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt zijn griffiegeld niet terug. Ook heeft hij geen recht op vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Artikel 6 van het EVRM. Recht op een eerlijk proces
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen
van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (…)
(…)
Artikel 3:2 van de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12 van de Awb
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die
bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
(…)

Voetnoten

1.Dit beginsel staat in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Dit beginsel staat in artikel 7:12 van de Awb.
3.Dit is geregeld in artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele rechten (EVRM).
4.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 4.3 van de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2166.