ECLI:NL:RBNNE:2025:5628
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening tegen invordering dwangsom
In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een beschikking tot invordering van een dwangsom. Het verzoek is kennelijk ongegrond, waardoor de voorzieningenrechter uitspraak doet zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft niet gereageerd op herhaalde verzoeken van de voorzieningenrechter om zijn spoedeisend belang te onderbouwen, waardoor niet is gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet kan worden toegewezen.
De zaak betreft een beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân, die op 7 augustus 2024 vier lasten onder dwangsom aan verzoeker heeft opgelegd. Eén van deze lasten betreft het beëindigen van de overtreding van het opslaan van autowrakken op een niet aaneengesloten bodemvoorziening, met een dwangsom van € 1.500 per week, tot een maximum van € 6.000. Op 17 juli 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het college op 11 augustus 2025 het voornemen kenbaar gemaakt om de verbeurde dwangsommen van € 6.000 in te vorderen, omdat bij controle op 24 maart 2025 bleek dat verzoeker niet aan de last had voldaan.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om zijn spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoeker heeft hierop niet gereageerd. Hierdoor is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, en is openbaar uitgesproken op 19 december 2025.