ECLI:NL:RBNNE:2025:5628

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/3422
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening tegen invordering dwangsom

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een beschikking tot invordering van een dwangsom. Het verzoek is kennelijk ongegrond, waardoor de voorzieningenrechter uitspraak doet zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft niet gereageerd op herhaalde verzoeken van de voorzieningenrechter om zijn spoedeisend belang te onderbouwen, waardoor niet is gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet kan worden toegewezen.

De zaak betreft een beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân, die op 7 augustus 2024 vier lasten onder dwangsom aan verzoeker heeft opgelegd. Eén van deze lasten betreft het beëindigen van de overtreding van het opslaan van autowrakken op een niet aaneengesloten bodemvoorziening, met een dwangsom van € 1.500 per week, tot een maximum van € 6.000. Op 17 juli 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het college op 11 augustus 2025 het voornemen kenbaar gemaakt om de verbeurde dwangsommen van € 6.000 in te vorderen, omdat bij controle op 24 maart 2025 bleek dat verzoeker niet aan de last had voldaan.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om zijn spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoeker heeft hierop niet gereageerd. Hierdoor is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, en is openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3422

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een beschikking tot invordering van een dwangsom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Op 7 augustus 2024 heeft het college aan verzoeker vier lasten onder dwangsom opgelegd. Eén van deze lasten houdt in dat de overtreding ten aanzien van het opslaan van autowrakken op een niet aaneengesloten bodemvoorziening moet worden beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.500 per week, met een maximum van € 6.000. Op 17 juli 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen dat besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Op 11 augustus 2025 heeft het college aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om de verbeurde dwangsommen van € 6.000 in te vorderen, omdat bij een controle op 24 maart 2025 is gebleken dat verzoeker niet aan de last ten aanzien van het opslaan van autowrakken op een niet aaneengesloten bodemvoorziening heeft voldaan.
1.4.
Met het bestreden besluit van 23 september 2025 heeft het college besloten de verbeurde dwangsommen van € 6.000 in te vorderen. Verzoeker heeft tegen dat invorderingsbesluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 2 oktober 2025 gevraagd om vóór 8 oktober 2025 zijn spoedeisend belang te onderbouwen door aan te tonen dat sprake is van een financiële noodsituatie. De voorzieningenrechter heeft dat gedaan door een mail te sturen naar [mailadres], hetzelfde mailadres waarmee verzoeker het verzoek bij de voorzieningenrechter heeft ingediend.
2.2.
Op 14 oktober 2025 heeft verzoeker via bovengenoemd mailadres bij de voorzieningenrechter verzocht om informatie over de termijn voor het indienen van aanvullende stukken.
2.3.
Op 29 oktober 2025 heeft verzoeker via bovengenoemd mailadres laten weten dat hij de nota voor het griffierecht heeft voldaan.
2.4.
Op 17 november 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker via hetzelfde mailadres nogmaals gevraagd om vóór 20 november 2025 zijn spoedeisend belang te onderbouwen door aan te tonen dat sprake is van een financiële noodsituatie.
2.5.
Op 25 november 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker in een brief gevraagd om vóór 5 december 2025 zijn spoedeisend belang te onderbouwen door aan te tonen dat sprake is van een financiële noodsituatie.
2.6.
Verzoeker heeft niet gereageerd op herhaalde verzoeken van de voorzieningenrechter om zijn spoedeisend belang te onderbouwen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom geen sprake van een spoedeisend belang.
3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich niet voor omdat zonder nader onderzoek naar de relevante feiten niet ernstig kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.