ECLI:NL:RBNNE:2025:5645

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
11610481 \ CV EXPL 25-1525
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom voor gewerkte uren door een uitzendkracht

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Flexcraft Aldiver B.V. en [gedaagde] B.V. Flexcraft Aldiver vorderde betaling van een bedrag van € 680,27, vermeerderd met rente en kosten, voor gewerkte uren van een uitzendkracht. De overeenkomst tussen partijen stipuleerde dat Flexcraft Aldiver recht had op een vergoeding voor elk uur dat de uitzendkracht bij [gedaagde] werkte. Flexcraft Aldiver had een factuur gestuurd voor de gewerkte uren, maar [gedaagde] betwistte de factuur en voerde aan dat de opgegeven uren niet overeenkwamen met de werkelijk gewerkte uren. De kantonrechter oordeelde dat Flexcraft Aldiver voldoende bewijs had geleverd dat de factuur betrekking had op gewerkte uren. De kantonrechter verwierp de argumenten van [gedaagde] en concludeerde dat deze niet voldoende had onderbouwd dat de factuur onterecht was. De kantonrechter wees de vordering van Flexcraft Aldiver toe, inclusief de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van adequate onderbouwing bij het betwisten van vorderingen in civiele procedures.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11610481 \ CV EXPL 25-1525
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
FLEXCRAFT ALDIVER B.V.,
gevestigd te Gorinchem,
eisende partij,
hierna te noemen: Flexcraft Aldiver,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Flexcraft Aldiver en [gedaagde] is een overeenkomst tot stand gekomen, die voorziet in de plaatsing van een uitzendkracht door Flexcraft Aldiver bij
[gedaagde] (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is onder meer bepaald dat de uitzendonderneming voor elk uur dat de werknemer bij de inlener heeft gewerkt een vergoeding per uur ontvangt.
2.2.
In het kader van de overeenkomst heeft Flexcraft Aldiver aan [gedaagde] een factuur (met nummer [factuurnummer] ) d.d. 26 november 2023 gestuurd voor een bedrag van
€ 680,27. De factuur ziet op het in rekening brengen van de vergoeding voor de uren van de betreffende uitzendkracht in de weken 41, 42 en 44 van 2023. Deze factuur is onbetaald gebleven.

3.Het geschil

3.1.
Flexcraft Aldiver vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 680,27, vermeerderd met rente en kosten en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Flexcraft Aldiver, met veroordeling van Flexcraft Aldiver in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de overeenkomst [gedaagde] aan Flexcraft Aldiver een vergoeding verschuldigd is voor door de uitzendkracht gewerkte uren. Volgens [gedaagde] bevat de factuur van 26 november 2023 echter uren die niet zijn gewerkt en is zij daarom niet gehouden de factuur te voldoen.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat het op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan Flexcraft Aldiver is om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van door de uitzendkracht gewerkte uren en zij dientengevolge recht heeft op een vergoeding voor die uren. Flexcraft Aldiver heeft in dit verband gesteld dat zij door de betreffende uitzendkracht gewerkte uren aan [gedaagde] heeft gefactureerd. Daarbij heeft Flexcraft Aldiver ingevulde urenbriefjes van de betreffende weken overgelegd. Volgens Flexcraft Aldiver ontbreekt op die urenbriefjes weliswaar de handtekening van (de leidinggevende van) [gedaagde] , maar is afgesproken dat de uitzendkracht de gewerkte uren zelf kon doorgeven en volgt uit een door haar overgelegd Whatsapp-bericht van 20 november 2023 dat sprake is van een akkoord van (de leidinggevende van) [gedaagde] op de urenbriefjes.
4.3.
[gedaagde] heeft daar tegenin gebracht dat de opgegeven uren, waarop de vordering is gebaseerd, niet overeenkomen met de werkelijk gewerkte uren, dat die uren niet kloppen met haar eigen registratie en waarneming en dat de overeenkomst niet het recht geeft om ook niet-gewerkte uren te factureren. Ook voert [gedaagde] aan dat de urenbriefjes zonder handtekening van (de leidinggevende van) de opdrachtgever niet geldig zijn en daarom geen sprake kan zijn van een opeisbare vordering. Het door Flexcraft Aldiver overgelegde Whatsapp-bericht kan volgens [gedaagde] geen rechtsgeldig vervangend bewijs vormen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Flexcraft Aldiver voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de factuur van 26 november 2023 ziet op door de uitzendkracht gewerkte uren, waarvoor op grond van de overeenkomst een vergoeding verschuldigd is. Gelet daarop lag het op de weg van [gedaagde] om gemotiveerd te betwisten dat het gaat om gewerkte uren. Dat heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter echter niet (voldoende) gedaan.
4.5.
[gedaagde] geeft weliswaar aan dat de opgegeven uren niet overeenkomen met de werkelijk gemaakte uren, maar laat - ondanks herhaalde verzoeken daartoe vanuit Flexcraft Aldiver [1] - na om concreet aan te geven welke dagen en/of uren dan niet door de uitzendkracht zouden zijn gewerkt. Ook heeft [gedaagde] haar eigen registratie, waar zij in dit kader naar verwijst, niet overgelegd of toegelicht, zodat ook niet aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welke uren dan niet zouden kloppen.
4.6.
[gedaagde] heeft in dit verband nog opgemerkt dat de uitzendkracht gedurende de opdracht voortijdig is vertrokken. Dit is tussen partijen echter niet in geschil. Flexcraft Aldiver heeft in de conclusie van repliek toegelicht dat de overeenkomst voortijdig ten einde is gekomen, aangezien de uitzendkracht op 30 oktober 2023 door [gedaagde] is weggestuurd. Volgens Flexcraft Aldiver heeft de uitzendkracht tot en met 30 oktober 2023 bij [gedaagde] gewerkt en is er ook tot en met 30 oktober 2023 gedeclareerd, zoals ook volgt uit de overgelegde urenbriefjes. Zonder nadere toelichting van [gedaagde] , die ontbreekt, valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet in te zien dat en op welke wijze dit voortijdige vertrek af zou (kunnen) doen aan de juistheid van de factuur van
26 november 2023.
4.7.
Het enkele feit dat op de urenbriefjes de handtekening van (de leidinggevende) van [gedaagde] ontbreekt is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat de urenbriefjes niet geldig zijn, zoals [gedaagde] aanvoert. Uit het door Flexcraft Aldiver overgelegde Whatsapp-bericht [2] valt immers op te maken dat een urenbriefje ook per e-mail door (de leidinggevende van) [gedaagde] kon worden goedgekeurd [3] . Dit is door [gedaagde] als zodanig niet betwist. Ook is niet betwist dat het betreffende Whatsapp-bericht afkomstig is van (de leidinggevende van) [gedaagde] .
4.8.
Bij het voorgaande merkt de kantonrechter nog op dat [gedaagde] in de conclusie van dupliek - ter onderbouwing van haar betoog dat zij niet gehouden is de factuur van
26 november 2023 te voldoen - verwijst naar uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden [4] , de kantonrechter Amsterdam [5] en de Hoge Raad [6] , onder vermelding van de vindplaatsen. De kantonrechter kan die verwijzingen en de daaruit getrokken conclusies echter niet volgen. Zo volgt volgens [gedaagde] uit de door haar genoemde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat de opdrachtgever niet gehouden is facturen te voldoen die niet op de juiste wijze zijn onderbouwd met werkelijke arbeid. De genoemde uitspraak betreft echter een niet (op rechtspraak.nl) gepubliceerde uitspraak in een strafzaak, waarvan de inhoud dus niet bekend is. De door [gedaagde] genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam is van
20 november 2018 (in plaats van 14 november 2018 zoals [gedaagde] vermeldt) en betreft een strafzaak over een verkeerovertreding. Daaruit valt niet af te leiden dat de afwezigheid van accordering door de inlener een zwaarwegend gebrek vormt, zoals [gedaagde] stelt. De door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad bevat geen informatie over de bewijskracht van digitale communicatie, zoals [gedaagde] stelt, maar ziet op de vraag welke maatstaf de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een vordering of verzoek om de tenuitvoerlegging te schorsen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak.
4.9.
De kantonrechter vermoedt dat de door [gedaagde] genoemde uitspraken en hun vindplaatsen via ChatGPT of een vergelijkbare zoekmachine zijn opgedoken en zonder controle in de conclusie van dupliek zijn overgenomen. Uit de uitspraken waar [gedaagde] naar verwijst kunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet de conclusies worden getrokken die [gedaagde] daaraan verbindt.
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [gedaagde] de gevorderde vergoeding verschuldigd is. De kantonrechter ziet dan ook geen grond om Flexcraft Aldiver op te dragen om een nieuwe (correcte) urenopgave aan te leveren, voorzien van handtekeningen van beide partijen, zoals door [gedaagde] in de conclusie van antwoord nog is verzocht.
Conclusie
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat de door Flexcraft Aldiver gevorderde hoofdsom van
€ 680,27 zal worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde en niet weersproken wettelijke rente vanaf 26 december 2023 acht de kantonrechter toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
Flexcraft Aldiver vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor en bedrag van € 102,04, berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] heeft daar tegenin gebracht dat er geen rechtsgrond bestaat voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten omdat de hoofdsom ondeugdelijk en niet opeisbaar is en dergelijke kosten niet verschuldigd zijn zolang de vordering niet in rechte is vastgesteld. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.11 is overwogen volgt de kantonrechter [gedaagde] daarin niet.
4.13.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit. Flexcraft Aldiver heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Flexcraft Aldiver worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
799,85

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexcraft Aldiver te betalen een bedrag van € 680,27, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 december 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexcraft Aldiver te betalen een bedrag van € 102,04 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 799,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
59765

Voetnoten

1.Zie productie 4 bij dagvaarding.
2.Productie 8 bij dagvaarding.
3.Daarin wordt in reactie op een bericht over een verzonden werkbriefje opgemerkt:
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2001.
5.Rb. Amsterdam 14 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8266.
6.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.