Eiser, eigenaar van een woning aan een adres te een plaats, diende een aanvraag in voor vergoeding van aardbevingsschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende aanvankelijk een schadevergoeding toe, gevolgd door een aanvullende vergoeding na bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank hield een regiezitting en behandelde het beroep waarbij een deskundige een herstelmethode en kostenraming opstelde. Het geschil spitste zich toe op de vraag of wandafwerking moet worden begroot als onderdeel van de herstelkosten. Het Instituut gebruikte een calculatiemodel dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is goedgekeurd.
De rechtbank oordeelde dat de door de deskundige opgestelde begroting van herstelkosten passend is en dat eiser onvoldoende bewijs leverde om hiervan af te wijken. Het beroep tegen het besluit van 27 maart 2023 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, het beroep tegen het herziene besluit van 21 oktober 2024 werd ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het Instituut veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank benadrukte dat het bewijsvermoeden van schade niet is weerlegd en dat het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel niet tot andere uitkomsten leiden.