Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:5653

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/5392
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Participatiewet wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet, welke op 18 juni 2024 is afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing is op 5 november 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 6 augustus 2025 het bezwaar gegrond verklaard en het college opgedragen een voorschot toe te kennen.

Op 19 december 2025 verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om het college te instrueren tot een medische keuring, omdat het college nog niet opnieuw op het bezwaar had beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is om de voorlopige voorziening toe te kennen en dat verzoeker de beslissing op het bezwaar kan afwachten.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 29 december 2025.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5392

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter concludeert dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang bestaat. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
3. Verzoeker heeft bij het college een uitkering ingevolge de Participatiewet aangevraagd. Met een besluit van 18 juni 2024 is deze aanvraag afgewezen. Met een besluit van 5 november 2024 is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 juni 2024 ongegrond verklaard.
4. Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 augustus 2025 is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 5 november 2024 gegrond verklaard, is het besluit van 5 november 2024 vernietigd en is bepaald dat aan verzoeker een voorschot wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande vanaf 30 juli 2025 tot 6 weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
5. Verzoeker heeft op 19 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker geeft aan dat het college nog niet opnieuw op het bezwaar heeft beslist en verzoekt de voorzieningenrechter om het college te instrueren om verzoeker medisch te laten keuren.
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten, zonder het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet gebleken van de noodzaak om bij wijze van voorlopige voorziening het college op te dragen verzoeker medisch te laten keuren. De voorzieningenrechter is ook van een financiële noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.