Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:5654

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/5312
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake arbeidsrechtelijke verplichtingen pgb-houder

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (SVB). Verzoeker maakt gebruik van een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp en vraagt om duidelijkheid over de toepassing van arbeidsrechtelijke verplichtingen die per 1 januari 2026 ingaan.

De SVB kende eerder ziekengeldvergoedingen toe vanwege ziekte van de zorgverlener en handhaafde deze besluiten na bezwaar. Verzoeker stelde dat met het vervallen van de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) per 1 januari 2026 strengere arbeidsrechtelijke verplichtingen gelden, en verzocht de voorzieningenrechter om aan te geven of deze verplichtingen uit het pgb betaald mogen worden en of de SVB een hoger budget beschikbaar stelt.

De voorzieningenrechter overwoog dat het wetsvoorstel “Aanpassing Regeling dienstverlening aan huis” per 1 januari 2026 in werking treedt, waardoor pgb-houders meer werkgeverstaken krijgen, maar dat de SVB ondersteuning biedt. Er is echter geen spoedeisend belang omdat verzoeker zich tot de SVB kan wenden voor duidelijkheid en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wijzigingen grote gevolgen voor hem hebben.

Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5312

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2025 in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

(gemachtigde: ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
De SVB heeft met besluiten van 9 februari 2024 en 15 maart 2024 vanwege ziekte van de zorgverlener van verzoeker voor januari en februari 2024 een ziekengeldvergoeding aan verzoeker toegekend. Met het bestreden besluit van 7 juni 2024 op het bezwaar van verzoeker is de SVB bij deze besluiten gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer LEE 24/4363.
1.3.
De SVB heeft met een brief van 19 juni 2024 aan verzoeker doorgegeven dat de wijzigingen die betrekking hebben op de zorgverlener van verzoeker zijn verwerkt. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 heeft de SVB het bezwaar van verzoeker tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft ook hiertegen beroep ingesteld. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer LEE 24/4618

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter concludeert dat er in dit geval geen enkel spoedeisend belang bestaat. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
3. Verzoeker ontvangt in verband met zijn visuele beperking een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Met dit pgb wordt de zorgverlener van verzoeker betaald. Bij ziekte van de zorgverlener ontvangt verzoeker in de vorm van een ziekengeldvergoeding een aanvulling op het pgb zodat hij vervangende zorg kan inhuren.
4. Verzoeker heeft op 17 december 2025 een verzoekschrift voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Verzoeker heeft aangegeven dat per 1 januari 2026 de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) vervalt. Als gevolg daarvan zit verzoeker, zo stelt hij, vast aan veel meer en strengere arbeidsrechtelijke verplichtingen. Verzoeker wil weten of hij die arbeidsrechtelijke verplichtingen uit het pgb mag betalen en of de SVB daarvoor een hoger budget beschikbaar stelt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht aan te geven hoe verzoeker effectief en volledig aan het arbeidsrecht kan voldoen.
5. De voorzieningenrechter is gebleken [1] dat naar verwachting vanaf 1 januari 2026 het wetsvoorstel “Aanpassing Regeling dienstverlening aan huis” in werking treedt, waarmee alle zorgverleners die onder een arbeidsovereenkomst werken en uit een pgb betaald worden dezelfde sociale zekerheidsrechten krijgen als reguliere werknemers. Het betekent ook dat een veel grotere groep budgethouders aan alle werkgeverstaken moet voldoen en deze taken moet uitvoeren. Het wetsvoorstel regelt dat pgb-houders zoveel mogelijk worden ondersteund en ontzorgd door de SVB. Mensen die een pgb via hun zorgverzekeraar krijgen kunnen de salarisadministratie door de SVB laten doen. Ook is er een manier gevonden om hen via de SVB te compenseren voor de extra werkgeverskosten.
6. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat bij verzoeker onduidelijkheid bestaat over de toepassing van het arbeidsrecht per 1 januari 2026 bij het aangaan van contractuele verplichtingen in verband met het aan hem toegekende pgb niet een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Verzoeker kan zich tot de SVB wenden om duidelijkheid te krijgen over de gevolgen van de wijzigingen per 1 januari 2026 voor hem als budgethouder. Verzoeker heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde wijzigingen voor hem dermate grote gevolgen zullen hebben dat
in verband daarmee de voorzieningenrechter in afwachting van de uitspraak op de beroepen van verzoeker een voorlopige voorziening zou moeten treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uit informatie van de SVB en de Rijksoverheid