Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekers ontvingen een bijstandsuitkering van het college in aanvulling op de inkomsten van [naam 2] (hierna: verzoeker).
4. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 heeft het college (primair) de bijstandsuitkering van verzoekers met ingang van 1 september 2024 ingetrokken, omdat verzoekers niet aan hun inlichtingenverplichting hebben voldaan. Verzoekers hebben gemeld dat verzoeker vanaf maart 2025 werkzaam is bij [bedrijf] B.V. te [plaats] (hierna: [bedrijf] ), maar bij onderzoek is gebleken dat verzoeker al vanaf september 2024 werkzaam is bij [bedrijf] en voorts dat hij vanaf maart 2025 meer heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven.
5. Tegen dit besluit hebben verzoekers op 15 december 2025 bezwaar gemaakt. Verzoekers betwisten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij voeren aan dat alle uren die verzoeker heeft gewerkt aan het college zijn doorgegeven. Zij ontkennen dat verzoeker vanaf 1 september 2024 voor [bedrijf] heeft gewerkt. Verzoeker heeft in september 2024 kennis gemaakt op het bedrijf en is wel eens meegereden zonder te hebben gewerkt. Verder stellen verzoekers dat de registratie van de chauffeursritten in het systeem van [bedrijf] niet overeenkomt met de werkelijkheid. Als in het systeem van [bedrijf] staat dat verzoeker gewerkt heeft, hoeft dat niet zo te zijn.
6. Ook op 15 december 2025 ontvangt de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening, waarin verzocht wordt om de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat aan verzoekers een voorschot van € 3.000,- wordt verleend. Gesteld is dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening, omdat zij moeten rondkomen van de inkomsten van verzoeker die ver onder het bijstandsniveau liggen. Zij hebben twee kinderen en er is een tweeling op komst. Er ontstaan op dit moment allerlei schulden waaronder gas, water en licht en aankomende maand zullen verzoekers ook hun huur niet meer kunnen betalen.
7. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.
8. Uit de gegevens die het college aan de voorzieningenrechter heeft verstrekt blijkt dat in het kader van het onderzoek dat namens het college is verricht is gesproken met de planner van [bedrijf] . Van dat gesprek is een verslag gemaakt. Zij heeft blijkens dat verslag een overzicht laten zien van de vanaf 1 september door verzoeker voor [bedrijf] gewerkte uren. Volgens dat overzicht heeft verzoeker in september 2024 op vijf dagen gewerkt, in oktober 2024 op 26 dagen, in november 2024 op alle dagen van de week behalve de zondagen, in december 2024 op één dag na alle dagen behalve de zon- en feestdagen, in januari 2025 op 25 dagen, in februari 2025 op alle dagen zonder de zondagen, in maart 2025 22 dagen, in april 2025 op 19 dagen, in mei 2025 op 23 dagen, in juni 2025 op 21 dagen, in juli 2025 op vijf dagen, in augustus 2025 op zeven dagen, in september 2025 op alle dagen behalve de zondagen en in oktober 2025 (tot en met 24 oktober 2025) op alle dagen behalve op 24 oktober 2025 en alle zondagen.
9. Uit de door het college verstrekte gegevens blijkt verder dat verzoekers aan de gemeente hebben doorgegeven dat verzoeker in maart 2025 voor [bedrijf] is gaan werken, dat hij in maart 2025 op drie dagen heeft gewerkt, in april 2025 op twee dagen, in mei 2025 op één dag, in juni 2025 op één dag en in september 2025 op twee dagen.
10. Uit het onder 8 vermelde overzicht blijkt dat verzoeker al vanaf 1 september 2024 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] en voorts dat hij vanaf maart 2025 meer heeft gewerkt dan hij aan het college heeft doorgegeven. De enkele stelling van verzoekers dat de registratie van de chauffeursritten in het systeem van [bedrijf] niet overeenkomt met de werkelijkheid treft geen doel. De door verzoekers overgelegde app-berichten acht de voorzieningenrechter onvoldoende als bewijs voor deze stelling van verzoekers. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat dat af en toe door collega’s van verzoeker zal zijn gewerkt op uren die op naam van verzoeker geregistreerd staan, bijvoorbeeld wegens ziekte of een andere reden, maar hij acht het niet waarschijnlijk dat dat is gebeurd in die mate dat daarmee het verschil wordt verklaard tussen de volgens [bedrijf] op naam van verzoeker staande uren en verzoekers opgave van zijn gewerkte uren aan het college. Ook de aangepaste loonstrook over september 2025 die verzoekers nog hebben overgelegd geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de registratie van de chauffeursritten in het systeem van [bedrijf] te twijfelen. Volgens die aangepaste loonstrook heeft verzoeker in september 2025 op 16 dagen gewerkt, terwijl verzoekers, zo blijkt uit de stukken, daarvoor een loonstrook over september 2025 hebben overgelegd waarin staat dat verzoeker die maand op twee dagen heeft gewerkt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangepaste loonstrook is ingeleverd nadat verzoekers zijn geconfronteerd met de registratie door [bedrijf] van de door verzoeker gewerkte uren. Daaruit blijkt al dat loonstroken eenvoudig kunnen worden aangepast en daarom niet een betrouwbare weergave geven van de daadwerkelijk gewerkte uren.
11. De onderzoeksbevindingen vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat verzoeker vanaf 1 september 2024 werkzaamheden heeft verricht en vanaf maart 2025 meer heeft gewerkt dan hij aan het college heeft doorgegeven. Door de onjuiste melding van het aantal door verzoeker gewerkte uren aan het college hebben verzoekers de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat niet helemaal duidelijk is hoeveel uren verzoeker daadwerkelijk in de aan de orde zijnde periode heeft gewerkt, heeft het college zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het recht op bijstand van verzoekers over de hier aan de orde zijnde periode niet kan worden vastgesteld.
12. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit van 25 november 2025, voor zover daarbij de uitkering van verzoekers per 1 september 2024 is ingetrokken, in de daartegen door verzoekers bij verweerder aangespannen procedure naar het zich thans laat aanzien in rechte stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter laat daarom de subsidiaire grond voor intrekking van de uitkering en hetgeen in het besluit nog is gesteld over de vakantieperiode van verzoekers, de door verzoeker gekochte auto en de giften die zij hebben ontvangen verder onbesproken.
13. Gelet hierop komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking en dient het te worden afgewezen.