ECLI:NL:RBNNE:2025:5663

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/771
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van studiefinanciering en peildatum in het kader van de Wet studiefinanciering 2000

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 28 november 2025, staat de aanvraag van eiser om studiefinanciering centraal. Eiser stelt dat hij op 1 september 2024 als migrerend werknemer moet worden aangemerkt en daarom recht heeft op studiefinanciering voor de maand september 2024. De rechtbank beoordeelt of de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap terecht heeft besloten om geen studiefinanciering toe te kennen voor deze maand. De rechtbank concludeert dat de minister dit besluit op goede gronden heeft genomen. Eiser had op 8 augustus 2024 een aanvraag ingediend, maar de minister besloot op 6 september 2024 dat eiser geen recht had op studiefinanciering voor september 2024, omdat zijn stageovereenkomst pas op 2 september 2024 inging. De rechtbank legt uit dat de peildatum van artikel 1.2 van de Wet studiefinanciering 2000 bepalend is voor de vaststelling van het migrerend werknemerschap. Aangezien eiser op de peildatum niet voldeed aan de voorwaarden, heeft hij geen recht op studiefinanciering. De rechtbank wijst ook het beroep op de hardheidsclausule af, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. De uitspraak eindigt met de conclusie dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft, zonder terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/771

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.S. Folsche),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. N. Fazli).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om studiefinanciering. Eiser stelt dat hij op 1 september 2024 kon worden aangemerkt als migrerend werknemer en dat hij daarom voor de maand september 2024 studiefinanciering dient te ontvangen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister op goede gronden heeft besloten de studiefinanciering niet voor september 2024 toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht geen studiefinanciering heeft toegekend voor de maand september 2024. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag studiefinanciering gedaan.
2.1.
De minister heeft op 6 september 2024 (het primaire besluit) onder andere besloten dat eiser geen recht heeft op studiefinanciering in de maand september 2024.
2.2.
Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij het besluit gebleven dat eiser geen recht heeft op studiefinanciering in de maand september 2024.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat zijn stage materieel op 1 september 2024 is begonnen omdat het verschil tussen 1 en 2 september slechts formeel is (1 september viel op een zondag) en hij de volledige stagevergoeding over de maand september heeft ontvangen. Omdat hij sinds 15 juli 2024 al over een geldige stageovereenkomst beschikte met een ingangsdatum van 1 september, moet hij op 1 september als migrerend werknemer worden aangemerkt. Subsidiair doet hij een beroep op de hardheidsclausule, nu zijn situatie materieel niet verschilt van een stage die formeel op 1 september zou zijn gestart.
4. De minister stelt dat blijkens de door eiser overgelegde stageovereenkomst eiser op 2 september 2024 zijn stage is aangevangen. Dit betekent dat eiser op 1 september 2024 nog geen migrerend werknemer was en dat op grond van artikel 1.2 Wsf 2000 er over de maand september 2024 geen recht op studiefinanciering bestaat. Dat 1 september 2024 op een zondag viel maakt dit niet anders. De Centrale Raad van Beroep heeft in verschillende vergelijkbare gevallen overeenkomstig geoordeeld. Ten aanzien van de hardheidsclausule stelt de minister dat de toepassing van de peildatum niet leidt tot een resultaat dat de wetgever niet heeft beoogd. De wetgever heeft er expliciet en bewust voor gekozen dat een student alleen recht heeft op studiefinanciering indien hij op de peildatum voldoet aan de materiele toekenningsvoorwaarden van de Wsf 2000, waaronder ook de nationaliteitseis valt. Er is daarom geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
De peildatum
5. De peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 is bepalend bij de vaststelling van de aanvang van het migrerend werknemerschap. Als de student pas in de loop van de maand toetreedt tot de arbeidsmarkt in Nederland, wordt hij of zij op zijn vroegst op dat moment werknemer. Artikel 1.2 van de Wsf 2000 staat dan in de weg aan toekenning van studiefinanciering voor die maand.
5.1.
Eiser heeft een stageovereenkomst gesloten met ASR met ingang van 2 september 2024. Omdat het werknemerschap van eiser niet is aangevangen op, of voor, 1 september 2024 wordt op de peildatum niet voldaan aan de nationaliteitseis van artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wsf 2000, zodat eiser over de maand september 2024 geen recht heeft op studiefinanciering.
De hardheidsclausule
6. De stelling dat de minister onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 buiten toepassing had moeten laten, slaagt ook niet. De toepassing van de peildatum leidt niet tot een resultaat dat de wetgever niet heeft beoogd. De wetgever heeft er expliciet en bewust voor gekozen dat een student alleen recht heeft op studiefinanciering indien hij op de peildatum voldoet aan de materiële toekenningsvoorwaarden van de Wsf 2000, waaronder ook de nationaliteitseis valt. [1] Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat in zijn geval sprake is van een evident onredelijk en onbillijk geval.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000
Artikel 1.2
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2.2
1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:
a. […];
b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of
c. […]
Artikel 11.5
1. Onze minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. […]

Voetnoten

1.ECLI:CRVB:2024:1038.