ECLI:NL:RBNNE:2025:5664

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/1209
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting van prestatiebeurs in een gift en persoonlijke omstandigheden van de student

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 28 november 2025, staat de omzetting van een prestatiebeurs in een gift centraal. Eiser, een student, had zijn prestatiebeurs voor 24 maanden omgezet in een gift, met een aanvullende verlenging van zes maanden. Eiser was het hier niet mee eens en stelde dat zijn gehele prestatiebeurs omgezet moest worden in een gift, omdat hij door persoonlijke omstandigheden zijn studie pas in 48 maanden had kunnen afronden. Hij voerde aan dat hij verkeerd was ingelicht door DUO over de voorwaarden voor omzetting van de prestatiebeurs.

De rechtbank beoordeelt of de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de prestatiebeurs voor meer maanden had moeten omzetten in een gift. De rechtbank concludeert dat de minister op goede gronden heeft besloten de prestatiebeurs voor 24 maanden om te zetten in een gift. De wet biedt geen mogelijkheid om de termijn verder te verlengen dan de reeds gegeven zes maanden. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen voor hem onbillijk waren, en de rechtbank oordeelt dat het op de student zelf rust om zich goed te informeren over zijn rechten en plichten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van het griffierecht en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak biedt inzicht in de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, met name de artikelen die betrekking hebben op de omzetting van prestatiebeurzen in giften en de voorwaarden die daarbij gelden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1209

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. N. Fazli).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omzetting van eiser zijn prestatiebeurs in een gift. Eiser zijn prestatiebeurs is voor 24 maanden omgezet in een gift, met aanvullend een verlenging van zes maanden. Eiser is het daar niet mee eens. Hij wil dat zijn gehele prestatiebeurs wordt omgezet naar een gift omdat hij door zijn persoonlijke omstandigheden de studie pas in 48 maanden heeft kunnen halen. Eiser vindt dat hij verkeerd is ingelicht door DUO. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de prestatiebeurs voor meer maanden had moeten omzetten in een gift.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft besloten de prestatiebeurs voor 24 maanden om te zetten in een gift. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 2 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de minister besloten de prestatiebeurs van eiser voor de duur van 24 maanden om te zetten in een gift.
2.1.
Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Eiser dient op 17 april 2025 een verzoek voorziening prestatiebeurs in met een verklaring van de studentendecaan.
2.4.
Naar aanleiding van dit verzoek besluit de minister op 28 april 2025 alsnog een verlenging te geven van de prestatiebeursperiode met zes maanden. Dat besluit is hier niet in geschil.
2.5.
Eiser wenst het beroep voort te zetten.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Moeten er meer maanden in een gift worden omgezet?
3. Eiser voert aan dat hij in aanmerking dient te komen voor volledige omzetting van zijn prestatiebeurs in een gift omdat hij als gevolg van persoonlijke omstandigheden zijn diploma pas na 48 maanden heeft kunnen behalen. Volgens eiser is hij door de minister onjuist geïnformeerd. Hij wijst erop dat, wanneer een student inlogt op de website van DUO, wordt vermeld dat de studieschuld wordt omgezet in een gift indien het diploma binnen tien jaar wordt behaald. Hierdoor is hij op het verkeerde been gezet.
4. De minister stelt dat het aantal maanden dat in een gift wordt omgezet, gelijk is aan de vastgestelde cursusduur van de opleiding waarvoor het diploma is behaald. Volgens de minister rust op de student de verantwoordelijkheid om zich voldoende te verdiepen in zijn rechten en verplichtingen. De student kan zich daarbij ook tot de onderwijsinstelling wenden voor informatie over de voorwaarden voor omzetting en de mogelijke gevolgen daarvan. De minister benadrukt dat een associate degree geen standaardopleiding betreft, hetgeen voor eiser aanleiding had moeten zijn om nadere informatie in te winnen over de specifieke gevolgen voor zijn prestatiebeurs.
5. De rechtbank is van oordeel dat het bepaalde in artikel 5.7, eerste lid, van de Wsf 2000 geen steun biedt voor het standpunt van eiser. In artikel 5.7, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding wordt omgezet in een gift.
5.1.
Eiser heeft het diploma behaald voor de associate degree Ondernemerschap & Retail Management. Daarom zijn de maanden september 2020 tot en met augustus 2022 terecht omgezet in een gift. Daarmee zijn in totaal 24 maanden omgezet. [1] De prestatiebeurs over de maanden september 2022 tot en met maart 2024 kon in beginsel niet worden omgezet op grond van dit diploma. Hiervoor moest een diploma worden behaald van een opleiding met een cursusduur van 48 maanden.
5.2.
Op eisers verzoek is aan eiser alsnog een verlenging gegeven van de prestatiebeursperiode. De wet biedt in artikel 5.2b van de Wsf 2000 een mogelijkheid. Op grond van het tweede lid is de prestatiebeursperiode verlengd met zes maanden, zijnde de maximumtermijn waarvoor de prestatiebeurs voor een student met een associate degree-opleiding verlengd kan worden. De wet biedt geen mogelijkheid om die termijn met meer maanden te verlengen.
Hardheidsclausule?
6. Voor zover eiser een beroep doet op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank dat in artikel 11.5 van de Wsf 2000 is aan de minister de bevoegdheid is verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de hardheidsclausule niet toe te passen. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de tekst op de website van DUO enige verwarring heeft kunnen opleveren bij eiser, maar is van oordeel dat dit voor zijn eigen risico dient te komen. Het ligt namelijk op zijn weg om over zijn eigen rechten en plichten de nodige informatie in te winnen. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen voor hem onbillijk zijn. In dat kader acht de rechtbank relevant dat bij de terugbetaling rekening wordt gehouden met eisers dragkracht.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet studiefinanciering 2000
Artikel 5.2b
De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de ho-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de ho-student kan worden verstrekt.
In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de ho-student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding.
Artikel 5.7
1. Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt de toegekende reisvoorziening volledig omgezet in een gift.
[…]
Artikel 11.5
Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Artikel 5.7, eerste lid, van de Wsf 2000.