In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift tot schadevergoeding van een verzoeker die eerder was vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De verzoeker had een schadevergoeding aangevraagd wegens de ondergane inverzekeringstelling en de periode waarin hij onder elektronische monitoring stond. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een schadevergoeding voor de inverzekeringstelling, ondanks de vrijspraak. De rechtbank overweegt dat de nadelige gevolgen van de inverzekeringstelling voor rekening van de verzoeker dienen te komen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsbeperking door de elektronische monitoring niet zodanig was dat er sprake was van vrijheidsontneming, en heeft daarom ook dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft echter wel een vergoeding toegekend voor de reiskosten die de verzoeker heeft gemaakt na de schorsing van de voorlopige hechtenis, alsook voor de kosten van het indienen van het verzoekschrift. Uiteindelijk is er een totaalbedrag van 710,24 euro aan schadevergoeding toegekend, terwijl het overige verzoek is afgewezen. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep.