AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst wegens toepasselijkheid Nederlands recht
De werknemer, werkzaam als accountmanager bij een Duits bedrijf, verzocht de kantonrechter om vernietiging van de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever stelde dat Duits recht van toepassing was, maar de kantonrechter oordeelde dat Nederlands recht geldt omdat de werknemer zijn werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichtte.
De arbeidsovereenkomst werd opgezegd zonder toestemming van het UWV en zonder instemming van de werknemer, waardoor de opzegging in strijd is met artikel 7:671 BWPro en niet rechtsgeldig is. De kantonrechter veroordeelde de werkgever om de werknemer binnen 48 uur na 5 januari 2026 weer toe te laten tot zijn werk en het loon vanaf 1 november 2025 te betalen, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente.
Daarnaast moet de werkgever de bedrijfsmiddelen zoals leaseauto, tankpas, telefoon en laptop weer ter beschikking stellen en schriftelijke salarisspecificaties verstrekken. De werknemer krijgt een vergoeding van € 387,50 per maand voor de kosten door het inleveren van de leaseauto. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en voorlopige voorziening werd afgewezen. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever.
Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de werknemer wordt toegelaten tot zijn werk met recht op loonbetaling en vergoeding van kosten.
Uitspraak
RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: 11933703 \ AR VERZ 25-74
Beschikking van 24 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.J. Boskma,
tegen
RK-VERWALTUNGS-GMBH,
te Westerstede (Duitsland),
verwerende partij,
hierna te noemen: RKV,
gemachtigde: mr. E. Bosscher.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is. Naar het oordeel van de kantonrechter is op de arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is en niet Duits recht, zoals de werkgever betoogt. Dit brengt mee dat de opzegging heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 7:671 BWPro.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het herziene verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- een gecorrigeerde bijlage bij het verweerschrift.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2.De feiten
2.1.
RKV is gevestigd in Westerstede (Duitsland) en richt zich op de levering van materialen ten behoeve van geothermie.
2.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1986, is op 1 september 2021 in dienst getreden bij RKV. De functie van [verzoeker] is Accountmanager, tegen een salaris van € 3.250,00 bruto per maand exclusief emolumenten.
2.3.
In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
§ 3. Tätigkeit
Funktionsumschreibung für den: Accountmanager (Vertrieb / Verkauf)
Allgemein:
(1) Der AN wird für den Vertrieb und Verkauf von RKV-Produkten, von unterschied-
lichen Rechtsformen, eingesetzt. Der AN übt seine Tatigkeiten hauptsachlich
von einem Homeoffice und der Deutschen Niederlassungen in Niedersachsen
aus.(…)
(12) Eingesetzt wird in den Regionen Deutschland, Belgien, Niederlande und Luxemburg.
(…)
§ 11. Krankenkasse
(l) Da der AN seinen Wohnsitz nicht in Deutschland hat, wird er bei der Meldekasse
gemeldet, um hier die Renten und Arbeitslosenversicherungsbeitrage melden zu
können. Der AN kann seine private Krankenversicherung beibehalten und erhalt
einen endsprechen Zuschuss, max. 50% in Bezug auf seine Person.
(2) Der AN hat sich um eine Sozialversicherungsnummer zu kümmern in Deutschland zu bemühen und diese VOR Vertragsbeginn beim AG zu melden. (AOK)
(3)Beim Finanzamt Kleve hat der AN eine Steueridentifikationsnummer zu bean-
tragen für Lohnsteuerabzugszwecke und diese ebenfalls beim AG VOR antritt
zu melden.
(4) Eine Lohnfortzahlung ist gesetzlich (nach deutschen Recht) vorgegeben für max.
sechs Wochen, darüber hinaus muss der AN dies mit seiner privaten Krankenkasse abklaren, oder sich um eine Unfallversicherung bemühen, die dies abdecken würde. Ausgenommen sind hier Arbeitsunfalle.
(…)
§ 20. Beendigung des Arbeidsverhältnisses
(l) Die Kündigungsfrist wahrend der Probezeit betragt zwei Wochen. (nach §622,
Abs.3, BGB)
2.4.
In de toelichting op de arbeidsovereenkomst in het Nederlands is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
ALGEMEEN:
[verzoeker] gaat de functie Accountmanager (hoofdzakelijk) bekleden bij
RKV Benelux B.V. per 01 September 2021.
LOCATIE:
Het kantoor waar [verzoeker] vanuit werkt is hoofdzakelijk Oosterwolde, maar kan ook in overleg in Westerstede zijn.
2.5.
Per e-mail van 30 september 2025 heeft de heer [bestuurder] , bestuurder van RKV (hierna: [bestuurder] ), de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd met ingang van 30 september 2025. In de bijlage bij de e-mail is een brief opgenomen, gedateerd op 29 september 2025, waarin de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd met ingang van 1 november 2025. Ook is in de brief opgenomen dat [verzoeker] per 1 oktober 2025 is vrijgesteld van werkzaamheden.
2.6.
[verzoeker] heeft per e-mail van 1 oktober 2025 geprotesteerd tegen de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst.
2.7.
In de daaropvolgende periode hebben partijen gecorrespondeerd over de opzegging van de arbeidsovereenkomst. RKV heeft toegelicht dat er zich meerdere voorvallen zouden hebben voorgedaan die in strijd waren met de normen en waarden van RKV en aan haar gelieerde ondernemingen. Ook heeft RKV zich op het standpunt gesteld dat Duits recht van toepassing is, waardoor er geen reden voor ontslag behoeft te worden gegeven en de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. Verder heeft RKV aangegeven dat [verzoeker] de bedrijfseigendommen, waaronder de leaseauto, laptop en mobiele telefoon, moest inleveren. [verzoeker] heeft opnieuw geprotesteerd tegen de opzegging en tegen het besluit van RKV om de bedrijfseigendommen in te vorderen. Ook heeft [verzoeker] aangegeven dat hij zich ziek heeft gemeld.
3.Het geschil
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – voor zover van belang – om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
1. De opzegging per 30 september 2025 en de opzegging per 31 oktober 2025 te vernietigen ex artikel 7:681 lid 1 BWPro,
2. Voor recht te verklaren en vast te stellen:
a. dat de arbeidsrelatie tussen de partijen niet is beëindigd door de gewone opzegging van RKV op 29 september 2025,
b. dat de arbeidsrelatie tussen de partijen niet is beëindigd door de gewone opzegging van de verweerder op 30 september 2025,
c. dat de arbeidsverhouding ook niet door verdere opzeggingen of andere
beëindigingsgronden is ontbonden, maar onder ongewijzigde voorwaarden voortduurt,
d. dat de arbeidsrelatie na 30 september 2025 en na 31 oktober 2025 voortduurt.
3. RKV te veroordelen [verzoeker] binnen 48 uur na de in deze te wijzen beschikking toegang te verlenen, te doen of laten verlenen tot de werkplek en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als Accountmanager te verrichten, op verbeurte van een door RKV aan [verzoeker] te betalen dwangsom ad € 250,00 voor elke dag dat RKV nalatig is aan deze veroordeling te voldoen,
4. RKV te veroordelen aan [verzoeker] te betalen het verschuldigde loon ad € 3.250,- bruto per maand, vanaf 1 november 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BWPro en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BWPro telkens wanneer dit loon niet tijdig, te weten op de laatste dag van de betreffende periode, is voldaan,
5. RKV te veroordelen tot het weer ter beschikking stellen van een leaseauto, tankpas, telefoon en laptop tegen de gebruikelijke voorwaarden die golden tot aan de opzegging op 29 september,
6. RKV te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie(s), waarin het bedrag en betaling van het verschuldigde onder 3 is verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van de beschikking dat verweerder niet voldoet aan de Beschikking,
(…)
Primair, subsidiair en meer subsidiair
7. RKV te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 387,50 netto per maand, althans een door de kantonrechter redelijk geachte vergoeding, vanaf 20 oktober 2025 als compensatie voor de gemaakte kosten in verband met het inleveren van de leaseauto,
8. RKV te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, RKV daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening,
9. RKV te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten (krachtens artikel 237 lid 4 RvPro), te begroten op een half salarispunt van het toegewezen salaris voor de gemachtigde met een maximum van € 135,-, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, RKV daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf
dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[verzoeker] verzoekt tevens om voor de duur van de procedure de volgende voorlopige voorziening te treffen:
1. RKV te veroordelen om [verzoeker] binnen 48 uur na de in dezen te geven beslissing toegang te verlenen, te doen of laten verlenen tot de werkplek en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als Accountmanager te verrichten, op verbeurte van een door RKV aan [verzoeker] te betalen dwangsom ad € 250,00 voor elke dag dat RKV nalatig is aan deze veroordeling te voldoen;
2. RKV te veroordelen onder overlegging van een deugdelijke specificatie aan [verzoeker] te betalen het verschuldigde loon ad € 3.250,- bruto per maand, vanaf 1 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BWPro en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BWPro telkens wanneer dit loon niet tijdig, te weten op de laatste dag van de betreffende periode, is voldaan.
3.3.
RKV voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Het verzoek is tijdig ingediend
4.1.
[verzoeker] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
De Nederlandse rechter is bevoegd
4.2.
Deze kwestie heeft een internationaal karakter, omdat RKV gevestigd is in Duitsland en [verzoeker] in Nederland woont. De kantonrechter moet daarom, ook ambtshalve, beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de verzoeken.
4.3.
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden vastgesteld aan de hand van de bevoegdheidsregels die zijn neergelegd in de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 1215/2012 van 12 december 2012 (hierna: Brussel I bis). Op grond van artikel 21 lid 1 aanhefPro en sub b (i) Brussel I bis kan een werkgever, met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk heeft gewerkt. [verzoeker] stelt dat hij gewoonlijk werkte in Oosterwolde en vanuit huis in [plaats] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] dit nader toegelicht door aan te geven dat hij een telefoon en auto van de zaak had en dat hij vanuit zijn woning in – toentertijd – [plaats] contact had met klanten van RKV, of vanuit de woning van zijn vriendin in [plaats] . Hij werkte vanuit huis of reed met de dienstauto naar klanten in Nederland en België. Verder is [verzoeker] is veel bij de werkplaats van RKV in Oosterwolde geweest. [verzoeker] heeft naar eigen zeggen een aantal besprekingen gehad op het hoofdkantoor van RKV in Westerstede en is Duitsland geweest voor het wisselen van zijn leaseauto en het bijwonen van een beurs, maar heeft verder geen werkzaamheden verricht in Duitsland. RKV heeft erop gewezen dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [verzoeker] zijn werkzaamheden voornamelijk vanuit huis en vanuit de vestiging in Duitsland verricht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bestuurder] echter aangegeven dat lezing van [verzoeker] over op welke wijze hij zijn werkzaamheden verrichtte wel klopt. Gelet daarop kan worden vastgesteld dat [verzoeker] zijn werk organiseerde vanuit Nederland, dat zijn arbeidsinstrumenten zich bevonden in Nederland en dat hij contact had met klanten en deze ook bezocht in en vanuit Nederland. Naar het oordeel van de kantonrechter werkte [verzoeker] dan ook in en vanuit Nederland, waarmee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter is gegeven.
Nederlands recht is van toepassing
4.4.
De kern van deze zaak is de vraag of Nederlands dan wel Duits recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Het toepasselijke recht worden vastgesteld aan de hand van de Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst nr. 593/2008 van 17 juni 2008 (hierna Rome I). RKV heeft aangevoerd dat partijen in de arbeidsovereenkomst hebben gekozen voor de toepasselijkheid van het Duitse recht, ook al is dit niet uitdrukkelijk zo in de arbeidsovereenkomst opgenomen. RKV heeft er daarbij op gewezen dat in paragraaf 11 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [verzoeker] een Duits sociaal zekerheidsnummer moet verkrijgen en een fiscaal nummer bij Finanzamt Kleve. Verder wijst RKV erop dat in lid 4 van paragraaf 11 van de arbeidsovereenkomst ‘nach deutschen recht’ is opgenomen en dat ook in paragraaf 20 van de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar het Duitse Burgerlijk Wetboek (hierna: BGB). De kantonrechter overweegt dat een rechtskeuze op grond van artikel 3 lid 1 RomePro I ook stilzwijgend kan worden gedaan, mits deze keuze duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of uit de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de bepalingen in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot het aanvragen van een Duits sociaal zekerheidsnummer en fiscaal nummer en de verwijzingen naar Duits recht en het BGB daartoe onvoldoende. Ten aanzien van de verwijzingen naar Duits recht en het BGB is onvoldoende duidelijk of die verwijzingen uitsluitend betrekking hebben op de bepalingen waarin zij worden genoemd of op de gehele overeenkomst. De bepalingen over het aanvragen van een Duits sociaal zekerheidsnummer en fiscaal nummer kunnen ook worden verklaard door praktische overwegingen en rechtvaardigen op zichzelf niet de conclusie dat partijen ondubbelzinnig hebben beoogd Duits recht op hun rechtsverhouding van toepassing te verklaren. Nu overige omstandigheden waaruit een duidelijk en ondubbelzinnige rechtskeuze voor Duits recht kan worden afgeleid ontbreken, is niet komen vast te staan dat partijen een rechtskeuze in de zin van artikel 3 RomePro I hebben gemaakt.
4.5.
Nu er geen sprake is van een rechtskeuze door partijen wordt de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 8 lid 1 RomePro I beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3 is geoordeeld, verrichtte [verzoeker] zijn werkzaamheden gewoonlijk vanuit Nederland. Uitgangspunt is daarom dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Volgens RKV geldt in dit geval echter artikel 8 lid 4 RomePro I, omdat uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst een nauwere band heeft met Duitsland dan met Nederland. RKV heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] regelmatig vanuit Duitsland werkt en de loonstrook naar Duits recht is ingericht met inhoudingen voor loonbelastingen en sociale premies naar Duits recht. Ook heeft RKV [verzoeker] een auto op Duits kenteken ter beschikking gesteld, waarbij de Duitse regels van bijtelling zijn toegepast. RKV wijst erop dat dit volgens het tussen Nederland en Duitsland gesloten belastingverdrag alleen kan wanneer de dienstbetrekking in – in dit geval – Duitsland wordt uitgevoerd.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat voor toepassing van de uitzondering van artikel 8 lid 4 RomePro I slechts plaats is als uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. Deze uitzondering moet, volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] , restrictief worden uitgelegd en toegepast. Daarbij moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden die de arbeidsbetrekking kenmerken, waarbij belangrijke betekenis toekomt aan de vraag in welk land de werknemer belastingen en heffingen betaalt en in welk land hij is aangesloten bij sociale zekerheidsregelingen. Ook moet de rechter rekening houden met criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden. Het feit dat de loonstrook van [verzoeker] naar Duits recht is ingericht met inhoudingen voor loonbelastingen en sociale premies naar Duits recht, vormt gelet op het voorgaande een relevante aanknopingsfactor, net als het feit dat hem een auto op Duits kenteken ter beschikking is gesteld met toepassing van de Duitse regels voor bijtelling. Aldus kan in deze zaak Nederland als het gewone werkland worden aangewezen terwijl ook de ingrediënten aanwezig zijn die kunnen maken dat sprake is van een nauwe(re) band met Duitsland. Het dossier en hetgeen op de zitting is besproken levert echter geen argumenten op om te motiveren dat en waarom toepasselijkheid van één van beide rechtsstelsels prevaleert. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de bedoeling van Rome I zoals die volgt uit paragraaf 23 van de preambule waarin staat dat: ‘ wat overeenkomsten met als zwakker beschouwde partijen betreft, moeten deze partijen worden beschermd door collisieregels die gunstiger zijn voor hun belangen dan de algemene regels’. In dit geval moet [verzoeker] als werknemer als de zwakkere partij worden beschouwd jegens RKV als werkgever, voor wiens belangen de algemene regel van artikel 8 lid 1 RomePro I gunstiger is dan de uitzonderingsregel van artikel 8 lid 4 RomePro I. Gelet hierop is niet gerechtvaardigd dat een uitzondering wordt gemaakt op het algemene uitgangspunt van toepasselijkheid van het recht van het gewone werkland. [2]
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig
4.8.
Nu Nederlands recht van toepassing is en tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, geldt dat RKV de arbeidsovereenkomst slechts rechtsgeldig kon opzeggen met inachtneming van artikel 7:671 BWPro. Vaststaat dat RKV de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder voorafgaande toestemming van het UWV en zonder instemming van [verzoeker] . Daarnaast heeft RKV niet gesteld dat sprake is geweest van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BWPro. De opzegging is dan ook in strijd met artikel 7:671 BWPro en dus niet rechtsgeldig.
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt, gelet op het voorgaande, toegewezen.
[verzoeker] moet weer worden toegelaten tot zijn werk
4.10.
De vernietiging van de opzegging brengt mee dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. [verzoeker] moet daarom worden toegelaten tot zijn werk. [verzoeker] heeft verzocht om hem binnen 48 uur na het wijzen van deze beschikking weer toe te laten tot zijn werk. Gelet op de feestdagenperiode acht de kantonrechter het echter redelijk dat dit gebeurt binnen 48 uur na 5 januari 2026. Het verzoek van [verzoeker] zal aldus worden toegewezen. Aangezien RKV heeft aangegeven zich te zullen conformeren aan de uitspraak van de kantonrechter en de uitspraak vrijwillig te zullen nakomen als de kantonrechter tot het oordeel komt dat Nederlands recht van toepassing is, ziet de kantonrechter geen reden om aan de toelating tot het werk een dwangsom te verbinden.
[verzoeker] heeft recht op loon
4.11.
Aangezien de arbeidsovereenkomst voortduurt heeft [verzoeker] recht op loon. Het verzoek van [verzoeker] tot loonbetaling vanaf 1 november 2025 zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat RKV te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20 procent.
De bedrijfsmiddelen moeten weer aan [verzoeker] ter beschikking worden gesteld
4.12.
De voortduring van de arbeidsovereenkomst brengt ook met zich mee dat de bedrijfsmiddelen die [verzoeker] gebruikte voor de uitoefening van zijn werkzaamheden (de leaseauto, tankpas, telefoon en laptop) weer aan hem ter beschikking moeten worden gesteld. Het verzoek van [verzoeker] hiertoe zal dan ook worden toegewezen.
RKV moet schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties verstrekken
4.13.
RKV is als werkgeefster op grond van artikel 7:626 BWPro verplicht om schriftelijke en deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken. Het verzoek van [verzoeker] daartoe zal dan ook worden toegewezen. Overigens heeft [verzoeker] ten aanzien van de specificaties van de door hem verzochte betalingen verwezen naar zijn verzoek om hem toe te laten tot zijn werk. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit een kennelijke fout betreft en begrijpt het verzoek van [verzoeker] zo dat hij specificaties van de door hem verzochte loonbetaling verzoekt. Het verzoek zal dan ook aldus worden toegewezen. Zoals hiervoor overwogen heeft RKV aangegeven zich te zullen conformeren aan de uitspraak, waardoor er geen aanleiding is om op het afgeven van de specificaties een dwangsom te stellen. Het verzoek hiertoe zal dan ook worden afgewezen.
[verzoeker] heeft geen belang meer bij de verzochte verklaringen voor recht
4.14.
Nu het verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt toegewezen, staat daarmee vast dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Daarnaast worden ook de verzoeken van [verzoeker] tot wedertewerkstelling en loonbetaling toegewezen. Gelet op het voorgaande heeft [verzoeker] geen rechtens te respecteren belang meer bij de verzochte verklaringen voor recht, zodat die verzoeken zullen worden afgewezen.
RKV moet kosten van [verzoeker] vergoeden in verband met het inleveren van de leaseauto
4.15.
[verzoeker] stelt dat hij van de ene op andere dag zonder vervoer zat en om die reden een vervangende auto moest aanschaffen, omdat hij na de sommatie van RKV daartoe de leaseauto vanaf 10 oktober 2025 niet meer heeft gebruikt en op 20 oktober 2025 heeft ingeleverd. [verzoeker] heeft er daarbij op gewezen dat hij op grond van paragraaf 9 van arbeidsovereenkomst de leaseauto ook privé mocht gebruiken tot een maximum van 15.000 kilometer per jaar met gebruikmaking van de tankpas. [verzoeker] verzoekt om die reden om een vervangende kilometervergoeding ter compensatie voor het gedwongen inleveren van de leaseauto. Hij acht een kilometervergoeding van € 0,31 redelijk, zodat de vergoeding uitkomt op € 0,31 x 15.000 kilometer, zijnde € 4.650,00 per jaar en € 387,50 per maand. RKV heeft op zichzelf niet betwist dat zij [verzoeker] een vergoeding verschuldigd is in verband met het inleveren van de leaseauto – in het geval de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd – maar voert aan dat het bedrag zou moeten worden aangepast naar de fiscaal maximaal toegestane vergoeding van € 0,23 per kilometer.
4.16.
De kantonrechter volgt RKV niet in haar standpunt dat aansluiting moet worden gezocht bij de fiscaal maximaal onbelaste reiskostenvergoeding. De fiscale norm ziet op de maximale onbelaste vergoeding die een werkgever aan een werknemer kan verstrekken, maar is niet bepalend voor de omvang van de civielrechtelijke schadevergoeding. Het door [verzoeker] verzochte bedrag strekt tot vergoeding van kosten als gevolg van de niet rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door RKV. Nu RKV de hoogte van het door [verzoeker] gehanteerde bedrag van € 0,31 per kilometer inhoudelijk niet heeft betwist en dit bedrag de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, zal de door [verzoeker] verzochte vergoeding worden toegewezen.
RKV hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
4.17.
[verzoeker] heeft tot slot verzocht om vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BWPro, conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten. [verzoeker] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de buitengerechtelijke werkzaamheden meer omvatten dan een enkele brief aan RKV. Dit verzoek van [verzoeker] zal daarom worden afgewezen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen
4.18.
Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] [3] .
RKV moet de proceskosten betalen
4.19.
De proceskosten komen voor rekening van RKV, omdat RKV overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
5.2.
veroordeelt RKV om [verzoeker] binnen 48 uur na 5 januari 2026 toegang te verlenen, te doen of laten verlenen tot de werkplek en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als Accountmanager te verrichten,
5.3.
veroordeelt RKV tot betaling aan [verzoeker] van € 3.250,00 bruto per maand aan loon vanaf 1 november 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20 procent en te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende salaristermijn tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt RKV tot het weer ter beschikking stellen aan [verzoeker] van een leaseauto, tankpas, telefoon en laptop tegen de tot aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst gebruikelijke voorwaarden,
5.5.
veroordeelt RKV tot het verstrekken van schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties, waarin de bedragen en betalingen van de veroordeling onder 5.3 zijn verwerkt,
5.6.
veroordeelt RKV tot betaling van een vergoeding van € 387,50 netto per maand vanaf 20 oktober 2025 tot het moment dat RKV weer een leaseauto aan [verzoeker] ter beschikking heeft gesteld,
5.7.
veroordeelt RKV in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als RKV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
54374
Voetnoten
1.Onder meer HvJ EU 15 maart 2011, zaak C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch) en HvJ EU 12 september 2013, zaak C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551 (Schlecker)