ECLI:NL:RBNNE:2025:5699

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/249129 / FT RK 25/1111
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de schuldsaneringsregeling

Op 14 oktober 2025 heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Noord-Nederland tot vaststelling van een dwangakkoord en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek is behandeld op 8 december 2025, waarbij verzoeker vertegenwoordigd werd door een schuldhulpverlener van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). Verweerders, de erven van de heer [verweerders], zijn niet verschenen op de zitting. Verzoeker had eerder een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij hij een betaling van 0,31% aan preferente schuldeisers en 0,16% aan concurrente schuldeisers voorstelde. Dit aanbod werd door alle schuldeisers, behalve de verweerders, aanvaard. Verweerders hebben echter vragen over de transparantie van het aanbod, met name over de lage huurprijs en de inkomsten van de partner van verzoeker uit een Bed & Breakfast (B&B). De rechtbank oordeelt dat het inkomen van de partner niet is meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag, wat essentieel is voor de beoordeling van het aanbod. Hierdoor is het aanbod niet voldoende transparant en kunnen verweerders in redelijkheid weigeren in te stemmen met de schuldregeling. De rechtbank wijst het verzoek af en geeft verzoeker tot 8 januari 2025 de tijd om te beslissen of hij zijn toelatingsverzoek tot de Wsnp handhaaft. Indien er voor die datum geen reactie is, wordt het verzoek als ingetrokken beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/249129 / FT RK 25/1111

vonnis van 22 december 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
tegen
De erven van de heer [verweerders],
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verweerders.

PROCESGANG

Op 14 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door de Gemeentelijke Kredietbank (hierna: de GKB).
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
8 december 2025. Verzoeker heeft de heer [schuldhulpverlener] van de GKB (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) gemachtigd om namens hem het woord te voeren op de zitting. Hoewel daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen, is er niemand namens verweerders verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoeker heeft op 15 oktober 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van 0,31% op de vorderingen van de preferente schuldeisers en 0,16% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Verzoeker heeft hiertoe een bedrag van € 979,47 gespaard.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerders aanvaard.
Verweerders hebben kort samengevat niet ingestemd, omdat het aanbod verschillende vragen oproept. Zo betaalt verzoeker een (te) lage huur, afgezet tegen de marktwaarde van de woning (met daarin een onderneming) waarin hij woont. Ook huurt verzoeker nu de woning waarvan hij voorheen eigenaar was. Verder exploiteert de partner van verzoeker een Bed & Breakfast (hierna: B&B) in de woning, waar gasten volgens de website alleen contant kunnen betalen. Verweerders hebben verzoeker verzocht op dit punt meer duidelijkheid te geven, maar zij zijn van mening dat zij op hun vragen geen antwoord hebben gekregen. De rechtbank begrijpt uit het verweer dat verweerders zich op het standpunt stellen dat het aanbod niet voldoende transparant is om te kunnen beoordelen of verzoeker het maximaal haalbare heeft aangeboden.
Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om verweerders te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een AOW-uitkering ontvangt. Daarnaast is sprake van gezondheidsproblematiek. Volgens verzoeker is het aanbod het maximaal haalbare.
Desgevraagd heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat geen rekening is gehouden met eventuele inkomsten die de partner uit de B&B ontvangt. De schuldhulpverlener heeft van 2025 geen onderliggende stukken en hij heeft verder ook geen onderzoek gedaan naar de inkomsten die uit de B&B worden verkregen.

BEOORDELING

De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Zo is onder meer van belang of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd.
De rechtbank stelt vast dat het inkomen van de partner is bepaald op nihil en daardoor in het geheel niet is meegenomen in de berekening van het vrij te laten bedrag, terwijl met een inkomen wel rekening had moeten worden gehouden nu verzoeker met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. De hoogte van het inkomen van de partner van verzoeker heeft namelijk invloed op de hoogte van het vrij te laten bedrag van verzoeker. Nu daarmee geen rekening is gehouden en ook in het geheel niet inzichtelijk is hoeveel inkomsten er uit de B&B worden verkregen, kan niet worden gesteld dat het aanbod voldoende transparant is om te kunnen beoordelen of het aanbod het maximaal haalbare is voor verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders dan ook in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
Nu het verzoek is afgewezen, zal de rechtbank verzoeker tot 8 januari 2025 in de gelegenheid stellen om kenbaar te maken of hij zijn toelatingsverzoek tot de Wsnp handhaaft. Wanneer de rechtbank op 8 januari 2025 niet van verzoeker heeft vernomen, zal het Wsnp-verzoek als ingetrokken worden beschouwd.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn, en in het openbaar uitgesproken op
22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.