ECLI:NL:RBNNE:2025:5703

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/249994 / FT RK 25/1251
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in het kader van een schuldregeling met gunstiger resultaat dan de wettelijke schuldsaneringsregeling

Op 14 november 2025 heeft verzoekster een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Noord-Nederland tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord, zoals bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet. Dit verzoek is behandeld op 15 december 2025, waarbij verzoekster en haar schuldhulpverlener aanwezig waren, terwijl de verweersters, Hoist Finance en Zilveren Kruis Achmea, niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangeboden schuldregeling, die een prognoseaanbod inhoudt, gunstiger is voor de schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank overweegt dat de kosten van de WSNP aanzienlijk hoger zijn dan die van de minnelijke regeling, en dat de vooruitzichten voor de schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord beter zijn. De rechtbank concludeert dat verweersters in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, en dat de aanvaarding van het akkoord in het belang is van de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord toegewezen, en wordt het subsidiaire verzoek tot toelating tot de WSNP als ingetrokken beschouwd. De rechtbank beveelt verweersters om in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/249994 / FT RK 25/1251
vonnis van 22 december 2025
in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de griffier van deze rechtbank bekend adres,
hierna te noemen verzoekster;
tegen

1.Hoist Finance,

Postbus 70150, 1007 KD Amsterdam;

2.Zilveren Kruis Achmea,

vertegenwoordigd door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
Spoorbaan 2, 9901 DD Appingedam,
hierna gezamenlijk te noemen: verweersters.
PROCESGANG
Op 14 november 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door [schuldhulpbedrijf] .
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
15 december 2025. Hierbij zijn verzoekster en de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen de schuldhulpverlener), verschenen.
Verweersters zijn, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
Verzoekster heeft op 14 november 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers op basis van een prognoseakkoord. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoekster gedurende achttien maanden haar maandelijkse afloscapaciteit (alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag) zal sparen. [schuldhulpbedrijf] houdt toezicht op de nakoming van de verplichtingen op grond van de schuldregeling. Ten tijde van het aanbod is de prognose dat er ruim 30 % aan de schuldeisers kan worden uitgekeerd tegen finale kwijting van het restant.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve door verweersters aanvaard.
Verweersters hebben in het geheel niet gereageerd op het voorstel en hebben dan ook geen reden voor het onthouden van instemming opgegeven.
BEOORDELING
De rechtbank constateert dat verweersters niet ter zitting zijn verschenen om op de stellingen van verzoekster te reageren, zodat eventuele stellingen van verzoekster ter zitting ook niet weersproken zijn.
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Bij de beoordeling van de vraag of verweersters in redelijkheid tot weigering konden komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoekster toegelaten zouden worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), zoals subsidiair verzocht.
Tijdens de WSNP zal gespaard worden volgens nagenoeg hetzelfde systeem als dat gehanteerd wordt tijdens de schuldregeling door [schuldhulpbedrijf] . Tijdens de WSNP zal het bewindvoerderssalaris moeten worden betaald. Deze kosten zullen circa € 5.613,00 zijn (gebaseerd op de huidige bedragen, het bewindvoerderssalaris zal echter elk jaar stijgen) te vermeerderen met griffierecht voor het deponeren van de uitdelingslijst ten bedrage van € 797,00. De totale kosten in het minnelijke traject bij [schuldhulpbedrijf] zijn aanzienlijk lager en bedragen € 995,38, zodat tijdens het minnelijk traject daarom naar verwachting uiteindelijk een hoger bedrag uitgekeerd kan worden dan tijdens de WSNP.
Niet valt te verwachten dat in de voornoemde schuldregeling veel verandering zal gaan plaatsvinden. Verzoekster heeft op dit moment een contract tot en met december 2025 en is fulltime werkzaam. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat haar contract eindigt, maar ze heeft al een sollicitatie lopen en ze is er van overtuigd na de feestdagen een nieuwe baan te hebben. Zekerheidshalve is een WW-uitkering aangevraagd. Voorts wordt komende week bekend hoeveel de meerderjarige dochter van verzoekster kan bijdragen in de kosten.
Ook de schuldhulpverlener heeft er alle vertrouwen in dat de prognose van 30% wel wordt gehaald en wellicht zelfs overstegen.
Gelet op de aanzienlijk hogere kosten die aan de wettelijke schuldsaneringsregeling verbonden zijn, acht de rechtbank de kans gering dat de schuldeisers een hogere uitkering zullen ontvangen in de WSNP schuldsaneringsregeling dan in het minnelijk traject. Bovendien betreft het aanbod dat is gedaan een prognoseaanbod. Dit betekent dat in het geval verzoekster gedurende het minnelijk traject een hoger inkomen zal genereren dit eveneens ten guste van de schuldeisers zal komen.
Nu de vooruitzichten voor verweersters als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat zij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat verweersters geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoekster en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling.
Ten aanzien van de belangen van de overige schuldeisers overweegt de rechtbank dat nu de vooruitzichten voor de schuldeisers bij aanvaarding van de aangeboden schuldregeling gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, de aanvaarding in het belang van de overige schuldeisers is. Dit klemt temeer nu de schuldeisers die wel akkoord zijn, tezamen
91,2 % van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.
Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken.
BESLISSING
De rechtbank
- beveelt verweersters in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma, en in het openbaar uitgesproken op
22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.