ECLI:NL:RBNNE:2025:5708

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/25/339 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de Faillissementswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) door verzoeker, geboren in 1969. Verzoeker heeft op 15 september 2025 een verzoekschrift ingediend, dat is behandeld op de zitting van 3 december 2025. Tijdens de zitting was verzoeker aanwezig, samen met zijn schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in een problematische financiële situatie verkeert, met een schuldenlast van bijna € 205.000, waarvan een aanzienlijk deel is ontstaan na een ziekteperiode. De rechtbank heeft geconstateerd dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van een deel van zijn schulden, maar heeft ook overwogen dat verzoeker zijn situatie heeft verbeterd en zich inzet om zijn schuldenproblematiek op te lossen. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker de kans moet krijgen om te werken aan een schuldenvrije toekomst en heeft het verzoek tot toepassing van de WSNP toegewezen, met een looptijd van 18 maanden. De rechtbank heeft mr. H.J. Idzenga benoemd tot rechter-commissaris en heeft de bewindvoerder belast met het openen van aan de schuldenaar gerichte correspondentie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/339 R

vonnis van 10 december 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

PROCESGANG

Verzoeker heeft op 15 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De schuldhulpverlener heeft op 28 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 3 december 2025. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [medewerker schuldhulpverlener] , werkzaam bij [schuldhulpverlener] (hierna te noemen de schuldhulpverlener) en de heer [medewerker beschermingsbewindvoerder] werkzaam bij Stichting [beschermingsbewindvoerder] (hierna te noemen de beschermingsbewindvoerder).

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een schuldenlast heeft van bijna € 205.000,-. Een deel van de schulden is ontstaan tussen 2023 en 2024, waaronder een schuld aan de Belastingdienst van bijna € 80.000 en een schuld aan [schuldeiser] van afgerond € 29.000,-. De recente schulden zijn ontstaan na een ziekteperiode van anderhalf jaar. Verzoeker had een burn-out en kreeg ook een hartklachten. Hij is langzaam afgegleden. Verzoeker had sinds 2016 een onderneming. Deze werd mede gerund door een werknemer die in dienst was op basis van een regeling met het UWV. De werknemer kon het bedrijf niet draaiende houden en het bedrijf is daarna beëindigd. Door het ontbreken van de administratie van de onderneming was een minnelijke traject niet mogelijk. Het is onzeker of alle schulden wel in beeld zijn. Tijdens het ontruimen van het pand heeft de ex-verhuurder alle administratie weggegooid. Hierdoor heeft verzoeker de aangiftes bij de Belastingdienst niet meer kunnen doen sinds 2022. Sinds augustus 2024 is er sprake van beschermingsbewind en in juni 2025 is het GGZ-traject afgerond.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het inmiddels beter met hem gaat en dat hij een tijdje weer heeft gewerkt bij een sociale werkvoorziening om weer ritme in de dag te krijgen. Verzoeker voelde zich helaas niet zo goed bij het werk wat hij moest doen, maar merkte wel dat hij het dagritme aan kon. Verzoeker is inmiddels aan het solliciteren.
De recente schulden aan de Belastingdienst hebben betrekking op huurtoeslag en inkomstenbelasting. De schuld aan [schuldeiser] betreft een huurachterstand. Verzoeker huurde daar een pand voor zijn zakelijke activiteiten. Er is een huurachterstand ontstaan en mogelijk kosten vanwege het vertrek en weer opknappen van het pand. Volgens verzoeker klopt de hoogte van de vordering niet.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting aanvullend verklaard dat verzoeker momenteel een woning huurt van een commerciële verhuurder. De verhuurder heeft voor de derde keer de sloten vervangen waardoor verzoeker geen toegang heeft tot de woning en daarom bij een vriendin woont. Hierdoor stagneert de aanvraag voor een bijstandsuitkering. Verzoeker heeft een advocaat ingeschakeld om een procedure te starten. Verzoeker komt van ver, is op zoek naar een baan en het beschermingsbewind loopt. De schuldhulpverlener heeft er vertrouwen in dat de advocaat haar werk goed doet en dat verzoeker weer toegang krijgt tot de woning zodat de bijstandsuitkering aangevraagd kan worden.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu deze schulden zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft geprobeerd zelf zijn problemen op te lossen. De onderneming is beëindigd en verzoeker heeft financiële en psychologische hulp gezocht. Verzoeker is momenteel aan het solliciteren en in augustus 2024 is beschermingsbewind ingesteld. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verzoeker zich volledig wil inzetten. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker de kans moet worden gegund om te werken aan een schuldenvrije toekomst en zal het verzoek dan ook toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
KvK-nummer: [nummer] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brievenen telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.