ECLI:NL:RBNNE:2025:5713

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/25/340 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FwArt. 349a lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing hardheidsclausule en vervroegde ingangsdatum

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €22.000,-, ontstaan door omstandigheden rondom de psychische problemen van haar partner. De rechtbank constateert dat verzoekster niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, waardoor het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 Fw Pro in beginsel zou worden afgewezen.

Desondanks wordt het verzoek op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw Pro) toegewezen, omdat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de oorzaak van de schuldenproblematiek onder controle is en sprake is van een bestendige gedragsverandering. Verzoekster werkt gemiddeld 12 uur per week, is gemotiveerd en er is sinds juli 2024 sprake van budgetbeheer.

De rechtbank stelt de ingangsdatum van de Wsnp-regeling vast op 10 augustus 2025, vier maanden voor het vonnis, omdat verzoekster niet volledig heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting. De looptijd van de regeling wordt vastgesteld op 18 maanden, eindigend op 10 februari 2027.

Tot slot benoemt de rechtbank een rechter-commissaris en geeft last aan de bewindvoerder voor het openen van aan verzoekster gerichte post. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met een vervroegde ingangsdatum en een looptijd van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/340 R

vonnis van 10 december 2025

in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster.

PROCESGANG

Verzoekster heeft op 22 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De schuldhulpverlener heeft op 23 september 2025 en op 29 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 3 december 2025. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar partner de heer [partner verzoekster] . Tevens was de heer [schuldhulpverlener] , werkzaam bij de Kredietbank Nederland (hierna te noemen: de schuldhulpverlener), aanwezig.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoekster een schuldenlast heeft van ruim € 22.000,-. De schulden zijn in 2023 en 2024 ontstaan doordat de partner van verzoekster kampte met psychische problemen, waarvoor hij in 2023 onder behandeling ging bij GGZ. Verzoekster nam de financiën over en was in de veronderstelling dat de rekeningen automatisch werden geïncasseerd, echter werden deze teruggeboekt. Hierdoor zijn de vaste lasten een tijd lang niet betaald. Verzoekster raakte het overzicht kwijt en in januari 2024 heeft zij samen met haar partner hulp gezocht. Voor de partner van verzoekster loopt al een minnelijke traject en dat is bijna afgerond.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij gemiddeld 12 uur per week werkt en solliciteert naar meer uren en ook naar een andere baan. Verzoekster is momenteel 20 weken zwanger van haar tweede kindje en ze woont samen met haar partner bij haar ouders. Vanaf half december hebben ze weer de beschikking over een eigen woning.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat er sinds juli 2024 sprake is van budgetbeheer. Het loopt goed en de financiële situatie is al twee jaar stabiel. Elke maand wordt er € 35,00 gereserveerd, terwijl verzoekster geen afloscapaciteit heeft. Verzoekster en haar partner zijn beide erg gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu de schulden zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft geprobeerd zelf haar problemen op te lossen. Ze heeft zelfstandig hulp gezocht en er is sinds 2024 sprake van budgetbeheer. Verzoekster is momenteel aan het solliciteren naar ander werk zodat ze meer kan werken tot aan haar zwangerschapsverlof. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verzoekster zich volledig wil inzetten. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekster de kans moet worden gegund om te werken aan een schuldenvrije toekomst en zal het verzoek dan ook toewijzen.

Ingangsdatum Wsnp

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Verzoekster heeft verzocht om de Wsnp 12 maanden eerder in te laten gaan, omdat zij 12 maanden heeft afgedragen. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster niet volledig heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting. Zij heeft weliswaar verklaard te hebben gesolliciteerd, maar niet altijd naar een fulltime baan en ook niet aantoonbaar. . De rechtbank ziet daarom aanleiding om een eerdere ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling vast te stellen op 10 augustus 2025, de datum die vier maanden voor dit vonnis is gelegen.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 10 augustus 2025, waardoor deze termijn eindigt op 10 februari 2027;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brievenen telegrammen;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.