ECLI:NL:RBNNE:2025:5723

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/249384 / FT RK 25/1161
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium in het kader van een schuldsaneringsregeling met betrekking tot huurachterstand en overlast

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 15 december 2025 een voorlopige voorziening toegewezen aan een verzoeker die een moratorium heeft aangevraagd in het kader van een schuldsaneringsregeling. De verzoeker, die te maken heeft met betalingsachterstanden en een huurachterstand bij Stichting Woonservice Drenthe, heeft op 23 oktober 2025 een verzoek ingediend voor een moratorium op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. De rechtbank heeft op 27 oktober 2025 een tussenvonnis gewezen en een tijdelijke voorziening getroffen om de ontruiming van de woning te voorkomen.

Tijdens de zitting op 8 december 2025 is de situatie van de verzoeker besproken, waarbij hij samen met zijn schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder aanwezig was. De verhuurder heeft verweer gevoerd, stellende dat de verzoeker al sinds 2021 betalingsachterstanden heeft en dat dit de derde minnelijke schuldregeling is die voor hem wordt opgestart. De rechtbank heeft vastgesteld dat de huurtermijnen sinds het tussenvonnis tijdig en volledig zijn voldaan en dat de financiële situatie van de verzoeker voldoende stabiel lijkt om de huur te kunnen betalen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een situatie waarin het moratorium niet gerechtvaardigd zou zijn. De belangenafweging viel in het voordeel van de verzoeker uit, en de rechtbank heeft bepaald dat de voorziening geldt voor een termijn van zes maanden, met de voorwaarde dat de verzoeker tijdig en volledig aan zijn verplichtingen voldoet. De beslissing houdt in dat de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt opgeschort en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening. De rechtbank heeft ook bepaald dat de verzoeker de rechtbank moet informeren als er een minnelijke schuldregeling tot stand komt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/249384 / FT RK 25/1161

vonnis van 15 december 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
tegen
Stichting Woonservice Drenthe, vertegenwoordigd door Agin Pranger,
[adres] ,
hierna te noemen de verhuurder.

PROCESGANG

Op 23 oktober 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 27 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 8 december 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen verzoeker tezamen met de heer [schuldhulpverlener] (schuldhulpverlener) en mevrouw [beschermingsbewindvoerder] (beschermingsbewindvoerder) van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). Namens de verhuurder zijn verschenen mevrouw [naam 1] van Stichting Woonservice Drenthe en mevrouw [naam 2] van Agin Pranger.

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 30 oktober 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 2 december 2025 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt dat het minnelijk traject is gestart. Sinds 24 oktober 2025 heeft verzoeker maandelijks een bedrag van € 2.500,00 van de schadeverzekeraar ontvangen. De huurtermijnen zijn sinds de datum van het tussenvonnis tijdig en volledig voldaan.
De verhuurder voert verweer. Kort samengevat komt het verweer erop neer dat verzoeker al sinds 2021 betalingsachterstanden heeft laten ontstaan. Dit is al de derde minnelijke schuldregeling die voor verzoeker wordt opgestart. Bij de vorige regelingen heeft verzoeker steeds zijn medewerking gestaakt. De verhuurder heeft dan ook geen vertrouwen in een goede afloop van dit minnelijk traject. Verder is naast een huurachterstand ook sprake van overlast en verwaarlozing van de woning. De verhuurder verzoekt daarom om het verzoek af te wijzen.
Desgevraagd heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat nog niet helemaal duidelijk is tot wanneer de schadeverzekeraar blijft uitbetalen. Naar verwachting zal verzoeker in ieder geval de komende vier maanden nog recht hebben op de uitkering die verzoeker nu van de schadeverzekeraar ontvangt. Volgens verzoeker blijft de verzekeraar uitkeren, totdat hij volledig is hersteld. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat er een Ziektewetuitkering is aangevraagd bij het UWV.
De verhuurder heeft op de zitting verklaard dat zij in de ontruimingsprocedure bij de kantonrechter alleen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming heeft gevorderd op grond van de huurachterstand.
De rechtbank stelt vast dat aan het ontruimingsvonnis alleen de huurachterstand ten grondslag is gelegd. Dit betekent dat het toetsingskader van de rechtbank in de onderhavige zaak beperkt is tot de vragen of de huurtermijnen sinds het tussenvonnis van 27 oktober 2025 tijdig en volledig zijn betaald en ook of de financiële situatie voldoende stabiel is om de huur vanaf heden te kunnen betalen. De rechtbank stelt vast dat beide vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank constateert voorts dat verzoeker beschermingsbewind heeft, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. Daarom dient de belangenafweging naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken

BESLISSING

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 september 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 27 oktober 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.