ECLI:NL:RBNNE:2025:5773

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11731545 BU VERZ 25-1156
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure inzake verkeersboete voor parkeren in verboden zone

In deze zaak is aan de betrokkene een boete opgelegd op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het parkeren van een voertuig in een verboden zone, aangeduid met bord E1. De overtreding vond plaats op 13 februari 2024 om 11:01 uur op de Rengerslaan in Leeuwarden. De opgelegde boete bedroeg € 119,00, inclusief administratiekosten. Betrokkene heeft tegen deze boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter, die de zaak op 15 december 2025 heeft behandeld. De vertegenwoordiger van de officier van justitie was aanwezig, maar betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Na het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat de betrokkene onvoldoende bewijs heeft geleverd om de boete aan te vechten. De kantonrechter oordeelde dat de verbalisant niet heeft hoeven controleren of de bebording aanwezig was, omdat de gemeente heeft bevestigd dat het bord E1 op de Rengerslaan aanwezig was in de relevante periode. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264770037
zaaknummer: 11731545 BU VERZ 25-1156

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 december 2025

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Verkeersboete.nl.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R584 – ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 13 februari 2024, om 11:01 uur, op de Rengerslaan in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 119,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 15 december 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. P.A. Veenstra aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie. Betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen.
1.3.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en zal hierna uitleggen waarom dat het geval is.
Standpunten
3. Betrokkene betwist de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen. Verder stelt hij geen verkeersbord E1 te zijn gepasseerd op zijn rijroute van huis naar de Rengerslaan. In het dossier zitten geen schouwrapporten en de verbalisant heeft de bebording niet gecontroleerd, waardoor de boete volgens betrokkene niet in stand kan blijven. Er wordt verzocht om proceskostenvergoeding.
4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond is, gelet op de door haar overgelegde e-mailwisseling met de gemeente over de bebording.
Overwegingen
5. De enkele, niet-onderbouwde betwisting van de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht.
6. Betrokkene betwist de bebording en geeft een rijroute aan. Normaliter geldt als uitgangspunt dat als de verbalisant ter plaatse was, ervan uitgegaan mag worden dat die de bebording heeft gecontroleerd. De verbalisant heeft echter expliciet aangegeven dat hij dat niet heeft gedaan.
6.1.
Daarom is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van het E1-zonebord. [1] Dit betekent dat uit nadere stukken moet blijken dat op de route die betrokkene heeft afgelegd, een E1-zonebord aanwezig was binnen een periode van zes maanden vóór en na de vermeende gedraging.
6.2.
De vertegenwoordigster heeft een e-mailwisseling met de gemeente overgelegd, waarin die aangeeft dat in de periode 2023 – 2024 een bord E1 aanwezig was op de Rengerslaan. Het is de gemeente niet bekend dat er veranderingen hebben plaatsgevonden of dat in die periode sprake is geweest van vervanging of verwijdering van de bebording. Een kopie van het stuk wordt bij dit proces-verbaal gevoegd.
6.3.
De kantonrechter oordeelt dat hiermee is aangetoond dat de bebording aanwezig was ten tijde van de overtreding. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld en de kantonrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803.