ECLI:NL:RBNNE:2025:5786

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/18/246180 / FA RK 25-2709
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging partneralimentatie wegens niet-ingetreden gewijzigde omstandigheden

De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatie te wijzigen vanwege zijn voornemen om zijn nachtelijke werkzaamheden als verpleegkundige af te bouwen en uiteindelijk te stoppen. Hij stelde dat deze wijziging van omstandigheden een lagere bijdrage rechtvaardigt.

De rechtbank stelde vast dat partijen in 2002 zijn gehuwd en in 2022 zijn gescheiden, waarbij een convenant is opgesteld met afspraken over partneralimentatie. De man werkt momenteel nog onverminderd als nachtverpleegkundige en verricht daarnaast incidenteel andere werkzaamheden, waarvan de inkomsten niet zijn gespecificeerd.

De rechtbank oordeelde dat de door de man gestelde wijziging van omstandigheden nog niet is ingetreden. Zijn intentie om te stoppen met nachtwerk is onvoldoende concreet en niet besproken met zijn cliënt. Ook is onduidelijk wat de financiële gevolgen van het afbouwen en stoppen zijn. Daarom voldoet de huidige alimentatie nog steeds aan de wettelijke maatstaven en blijft de man gehouden aan de overeengekomen bijdrage.

De rechtbank benadrukte dat de man niet verplicht kan worden om door te gaan met nachtwerk op zijn leeftijd, maar zolang hij dit wel doet, is er geen reden tot aanpassing. Het verzoek tot wijziging van de alimentatie werd dan ook afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie wordt afgewezen omdat de gewijzigde omstandigheden nog niet zijn ingetreden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/246180 / FA RK 25-2709
beschikking van 8 december 2025
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. E. Henkelman-de Mooy, kantoorhoudende te Groningen,
en
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Helmantel, kantoorhoudende te Sappemeer.

1.Het procesverloop

1.1.
Deze procedure is ingeleid door het verzoekschrift van de man tot wijziging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, door de rechtbank ontvangen op 28 juli 2025.
1.2.
Op 22 september 2025 ontving de rechtbank het verweerschrift van de vrouw.
1.3.
Op 31 oktober 2025 ontving de rechtbank een brief met bijlagen van de vrouw.
1.4.
Op 7 november 2025 ontving de rechtbank een F9-formulier met bijlagen van de man. De advocaat van de vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het onnodig late tijdstip van indiening van deze stukken. De rechtbank zal deze stukken daarom niet betrekken bij de beoordeling van het geschil.
1.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 november 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.6.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank kennisgenomen van de door de man op 17 november 2025 opnieuw ingediende productie 2, waaruit de datum van ontbinding van het huwelijk blijkt.
1.7.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank zal bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de processtukken en de daarop tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting.
2.2.
Partijen zijn op 13 mei 2002 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 17 augustus 2022 is door de rechtbank Amsterdam de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is vervolgens ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente op 25 augustus 2022.
2.3.
Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding geregeld door middel van een convenant. Het convenant is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht.
2.4.
Het convenant luidt, voor zover in deze procedure relevant:
"PARTNERALIMENTATIE
Artikel 2 Algemeen Pro
2.1
De man zal gedurende 10 jaar met ingang van 1 - 4 - 2022 maandelijks bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan de vrouw voldoen een bedrag van € 2460,75 bruto als bijdrage in haar levensonderhoud.
Artikel 3 Inkomsten Pro vrouw
3.1
Indien de vrouw inkomsten uit arbeid en/of vermogen geniet, geldt het navolgende:
Eigen inkomsten tot een bedrag van € 1.230,35 bruto per maand vormen geen grond voor vermindering van de alimentatie;
Eigen inkomsten, voor zover deze € 1.230,35 bruto per maand te boven gaan, komen voor 25 % in mindering op de alimentatie.
3.2
De vrouw zal de hoogte van haar eigen inkomsten aantonen door overlegging van bewijsstukken aan de man, zoals een recente werkgeversverklaring c.q. jaaropgave.
(…)
Artikel 5
Regeling pensioenverevening
Het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen (het ouderdomspensioen en
het bijzonder nabestaandenpensioen/bijzonder partnerpensioen) zal tussen partijen worden
verdeeld; partijen werken mee aan melding aan de pensioenuitvoerder(s) en zullen het
daartoe bestemde formulier ondertekenen. De man ziet af van het door de vrouw tijdens
het huwelijk opgebouwde pensioen (het ouderdomspensioen/bijzonder partnerpensioen)."
2.5.
De man ontvangt AOW en pensioen. Hij werkt meerdere nachten per maand als nachtverpleegkundige bij een cliënt thuis, over wie hij waakt en bij wie hij zo nodig verpleegtechnische handelingen verricht. Die werkzaamheden verricht hij als zzp-er op urenbasis en worden gefinancierd vanuit een PGB via een zorgkantoor. Daarnaast verricht de man af en toe werkzaamheden als medium op beurzen en tijdens workshops/retraites.
2.6.
De vrouw werkt niet en ontvangt geen uitkering. Zij leeft van de bijdrage die zij van de man ontvangt. Ondanks dat partijen hebben afgesproken dat het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen zal worden verdeeld en de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, ontvangt de vrouw nog geen pensioen: er is namelijk conversie toegepast, zodat de vrouw haar deel van het pensioen dat de man heeft opgebouwd ontvangt vanaf het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

3.Het geschil

3.1.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2022 te wijzigen, voor zover het de daarin bepaalde partneralimentatie betreft, althans te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 701,00 bruto per maand,
II. althans een zodanige bijdrage vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooraf stelt de rechtbank vast dat de man in zijn verzoekschrift weliswaar heeft verzocht om wijziging
van de beschikking(en ter zitting heeft gevraagd om
vaststellingvan een bijdrage in plaats van om wijziging), maar dat de rechtbank het verzoek zal opvatten als een verzoek tot wijziging
van de overeenkomst. Aan de beschikking ligt namelijk het convenant ten grondslag. [1] Daarin is een afspraak gemaakt over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Een vaststelling is daarom ook niet aan de orde.
4.2.
De man is ontvankelijk in zijn verzoek, omdat hij heeft gesteld dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Dat heeft tot gevolg dat er geen reden is tot aanpassing van de bijdrage en dat de man de afgesproken bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw moet blijven betalen.
4.4.
Een overeenkomst over het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud kan worden gewijzigd als de bijdrage door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Volgens de man is de wijziging gelegen in het feit dat hij door zijn leeftijd, 71 jaar, niet veel langer meer in staat is zijn werkzaamheden voor zijn cliënt te verrichten. De werkzaamheden die hij verricht brengen namelijk met zich dat hij 's nachts werkt (wakker moet blijven) en voorafgaand aan en na zijn nachtdienst een afstand van 93 kilometer enkele reis moet rijden. Met name het terugrijden wordt steeds moeilijker. Daarom wil de man zijn werkzaamheden afbouwen en uiteindelijk stoppen. Om te voorkomen dat hij in betalingsproblemen komt stopt hij pas zodra er duidelijkheid is over de wijziging van de aan de vrouw te betalen bijdrage. De vrouw betwist dat er op dit moment al sprake is van gewijzigde omstandigheden en, zo die er al zijn, dat de man de bijdrage niet meer kan betalen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende concreet heeft gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Uit de verklaringen van de man kan slechts worden afgeleid dat de omstandigheden mogelijk gaan wijzigen, ten opzichte van de situatie waarin het convenant is gesloten, maar deze wijziging heeft zich nog niet voorgedaan. De man wil gaan afbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht over ongeveer een half jaar te willen stoppen met zijn nachtelijke werkzaamheden, maar op dit moment verricht de man de werkzaamheden nog onverminderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man daarover verder verklaard zijn wens om te stoppen nog niet met zijn (meerderjarige) cliënt zelf te hebben besproken, alleen met diens moeder. Daarnaast is ook niet duidelijk geworden wat het eventueel afbouwen en stoppen met de werkzaamheden betekent voor de vraag of de bijdrage (na een daadwerkelijke wijziging van omstandigheden) nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. Dat is temeer het geval nu de man heeft erkend dat hij na de echtscheiding - naast zijn nachtelijke werkzaamheden - nog andere werkzaamheden is gaan verrichten, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij daarmee genereert.
4.6.
Het voorgaande betekent overigens niet dat de man op zijn leeftijd kan worden verplicht om door te gaan met zijn nachtelijke werkzaamheden. Voor zover hij dat echter wel doet, is er geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden: de te betalen bijdrage voldoet in dat geval immers nog steeds aan de wettelijke maatstaven. [2]

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. Wortmann, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025. De beschikking is ondertekend door de rolrechter.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
- door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
fn: MGV

Voetnoten

1.HR 19 november 1982,
2.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:347.