Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden met een voertuig waarvan het keuringsbewijs zijn geldigheid had verloren op 14 augustus 2023. Betrokkene stelde dat het voertuig al bij de garage stond en dat de garage het voertuig te laat had afgemeld, onderbouwd met een vrijwaringsbewijs van 21 augustus 2023.
De kantonrechter oordeelde dat het vrijwaringsbewijs niet aannemelijk maakte dat het voertuig vóór 21 augustus 2023 al bij de garage stond, terwijl de registercontrole op 14 augustus 2023 plaatsvond. Betrokkene was op dat moment nog kentekenhouder en daarmee verantwoordelijk voor de geldigheid van het keuringsbewijs.
Hoewel de overtreding vaststond, matigde de kantonrechter de boete met 25% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn tussen het moment van de overtreding en de uitspraak. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €113,38. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd over de wijze van uitbetaling van de proceskosten.