ECLI:NL:RBNNE:2025:5815

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
11807482 CV EXPL 25-4255
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 140 lid 3 RvArt. 150 RvArtikel 2 Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en huurachterstand in huurzaak met bijzondere omstandigheden

Nijestee verhuurt sinds 1 oktober 2024 een woning aan gedaagde sub 2 c.s. en gedaagde sub 1 staat ook op de huurovereenkomst. Er is een huurachterstand ontstaan van €5.955,60 tot oktober 2025. Nijestee vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, plus betaling van de huurachterstand en incassokosten.

Gedaagde sub 2 erkent de huurachterstand maar verzet zich tegen ontbinding en ontruiming. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig is en betaling daarvan wordt toegewezen. De ontbinding wordt alleen toegewezen ten aanzien van gedaagde sub 1, die niet meer in de woning woont en een gevaar vormt voor gedaagde sub 2. De ontbinding en ontruiming ten aanzien van gedaagde sub 2 worden afgewezen vanwege haar woonbelang, de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de veiligheidsproblematiek.

De incassokostenbedingen in de algemene voorwaarden worden vernietigd wegens strijd met wettelijke regels en oneerlijkheid. Gedaagde sub 2 c.s. worden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de verdere vervallen huurtermijnen en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden ten aanzien van gedaagde sub 1 en blijft in stand voor gedaagde sub 2, die wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en proceskosten, terwijl ontruiming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11807482 CV EXPL 25-4255
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
STICHTING NIJESTEE,
te Groningen,
eiseres,
hierna te noemen: Nijestee,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende op een onbekend adres binnen of buiten Nederland,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M. Schuring,
gedaagden,
hierna apart van elkaar te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
en hierna samen te noemen: [gedaagde sub 2] c.s. (in meervoud).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 augustus 2025. Bij dit vonnis is een mondelinge behandeling bepaald en is partijen gevraagd om voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bewijs)stukken over te leggen met betrekking tot, onder meer, de actuele huurachterstand. Nijestee heeft hierna op 31 oktober 2025 een actuele huurachterstandsspecificatie en andere producties overgelegd. De gemachtigde van [gedaagde sub 2] heeft op 6 november 2025 drie producties overgelegd. Op 10 november 2025 heeft vervolgens een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar mevrouw [medewerker huurschuld] (medewerker persoonlijke benadering bij huurschuld) en de heer [medewerker wonen] (medewerker wonen) namens Nijestee zijn verschenen, bijgestaan door mevrouw [gemachtigde Nijestee] als gemachtigde. Ook is [gedaagde sub 2] verschenen, samen met de heer mr. M. Schuring als gemachtigde, mevrouw
[medewerker WIJ] van WIJ Groningen en mevrouw [medewerker GKB 1] en mevrouw [medewerker GKB 2] van de Groningse Kredietbank (hierna: GKB). [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat zij noch haar gemachtigde namens [gedaagde sub 1] procedeert. [gedaagde sub 1] is aldus niet verschenen. Ter zitting hebben partijen hun standpunten (nader) toegelicht. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.2.
Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Omdat [gedaagde sub 2] wel is verschenen in deze procedure, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen dat op grond van artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
Nijestee verhuurt met ingang van 1 oktober 2024 aan [gedaagde sub 2] c.s. de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte’ van Nijestee van 10 april 2007 van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:
Artikel 14 Het Pro in verzuim zijn van huurder en verhuurder
14.1.
Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buiten- gerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij.
14.2.
De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 34,00 vermeerderd met het geldend BTW-percentage.’
2.3.
De huurprijs bedroeg in de maanden januari tot en met juni 2025 € 734,99 per maand. De huurprijs bedraagt op dit moment, sinds juli 2025, € 772,83 per maand. De huur dient bij vooruitbetaling te worden voldaan en uiterlijk betaald te worden op de eerste dag van de maand.
2.4.
[gedaagde sub 2] c.s. hebben de huur niet steeds tijdig en volledig voldaan, waardoor een huurachterstand is ontstaan. [gedaagde sub 2] c.s. zijn meermaals door Nijestee en diens gemachtigde tot betaling aangemaand. Daarnaast heeft Nijestee melding gemaakt van de huurachterstand van [gedaagde sub 2] c.s. bij de gemeente Groningen.
2.5.
Bij exploot van 23 oktober 2025 is op verzoek van [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] een verzoekschrift tot echtscheiding betekend.

3.Het geschil

3.1.
Nijestee vordert, uitvoerbaar bij voorraad - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 4.409,94 aan huurachterstand, met nevenvorderingen.
3.2.
Nijestee legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 2] c.s. tekortgeschoten zijn in de nakoming van de betalingsverplichting uit de huurovereenkomst door een betalingsachterstand te laten ontstaan. Deze tekortkoming rechtvaardigt volgens
Nijestee de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde sub 2] erkent het bestaan van de huurachterstand, maar voert verweer tegen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde sub 2] c.s. zijn gehouden tot betaling van de door Nijestee gevorderde bedragen en of er grond is voor de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
Vroegsignalering
4.2.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat Nijestee heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Uit de producties bij de dagvaarding blijkt onder andere dat
Nijestee melding heeft gedaan bij de gemeente Groningen van de huurachterstand van [gedaagde sub 2] c.s.
De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen
4.3.
[gedaagde sub 2] heeft erkend dat sprake is van een huurachterstand. [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat de betalingsachterstand is ontstaan door persoonlijke omstandigheden. Betalingsonmacht - hoe vervelend dit ook is - ligt in de risicosfeer van [gedaagde sub 2] en maakt niet dat zij de verplichtingen uit de huurovereenkomst niet na hoeft te komen. De kantonrechter zal het verweer van [gedaagde sub 2] op dit punt daarom passeren. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand van [gedaagde sub 2] c.s. (berekend tot en met juni 2025) een bedrag van € 4.409,94 (zes maanden). Uit de huurachterstandsspecificatie van Nijestee van
31 oktober 2025 en hetgeen door Nijestee ter zitting is verklaard volgt dat de huurachterstand (berekend tot en met oktober 2025) is toegenomen en een bedrag van € 5.955,60 (acht maanden) omvat. Dit is door [gedaagde sub 2] , hoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, niet betwist en daarom komen vast te staan. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling van de huurachterstand jegens [gedaagde sub 2] c.s. worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing is vermeld.
De ontbinding en ontruiming worden ten aanzien van [gedaagde sub 1] toegewezen en ten aanzien van [gedaagde sub 2] afgewezen
4.4.
De vraag is vervolgens of het laten ontstaan van de eerdergenoemde huurachterstand rechtvaardigt dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde sub 2] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Weliswaar is door zowel Nijestee als [gedaagde sub 2] ter zitting verklaard dat [gedaagde sub 1] niet (meer) in het gehuurde woont, maar Nijestee stelt dat [gedaagde sub 1] nog steeds op de huurovereenkomst staat en in die zin (formeel) nog steeds huurder is, zodat Nijestee nog steeds volhardt in haar vordering jegens [gedaagde sub 2] c.s.
4.5.
Uit artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat iedere tekortkoming in de nakoming grond kan opleveren voor ontbinding van een gesloten huurovereenkomst, tenzij die tekortkoming vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis daarvan de ontbinding met haar gevolgen niet kan rechtvaardigen. Op grond van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan de huurder om te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat sprake is van die 'tenzij-bepaling'. Bij beantwoording van de vraag of ontbinding is gerechtvaardigd, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete (woon)belang van de huurder bij het voortduren van de huur. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden (Hoge Raad 29 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). De kantonrechter overweegt tegen deze achtergrond als volgt.
4.6.
Vast staat dat de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 4.409,94 (zes maanden) betrof en op dit moment een bedrag van € 5.955,60 (acht maanden) betreft. Deze huurachterstand levert een ernstige tekortkoming op. De huurovereenkomst kan op zich dus worden ontbonden. De kantonrechter zal de gevorderde ontbinding op basis van de volgende specifieke omstandigheden alleen ten aanzien van [gedaagde sub 1] toewijzen en zij overweegt daartoe als volgt.
4.7.
Uit de stellingen van Nijestee en [gedaagde sub 2] (ter zitting) is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat sprake is van ernstige veiligheidsproblematiek voor wat betreft [gedaagde sub 2] veroorzaakt door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat sprake is geweest van mishandeling, bedreiging en gedwongen verblijf in het buitenland en dat zij recentelijk, met hulp van onder andere de Nederlandse ambassade, naar Nederland is teruggekeerd. Volgens [gedaagde sub 2] is de huurachterstand grotendeels het gevolg van deze ingrijpende omstandigheden/periode. Van belang is ook dat [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat zij met haar twee minderjarige kinderen in het gehuurde woont, dat zij daar graag wil blijven wonen en geen alternatieve woonruimte heeft. [gedaagde sub 1] is volgens [gedaagde sub 2] niet (meer) woonachtig in het gehuurde. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de veiligheidsproblematiek zich dus niet (meer) in het gehuurde voordoet. Het belang van de minderjarige kinderen speelt naar het oordeel van de kantonrechter een grote rol bij de onderhavige belangenafweging (artikel 3 Internationaal Pro Verdrag inzake de rechten van het Kind). Daar komt bij dat [gedaagde sub 2] inmiddels financiële hulp krijgt van de GKB. In dat kader heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat het de bedoeling is dat zo spoedig mogelijk de echtscheiding wordt uitgesproken, zodat toeslagen en (financiële) ondersteuning anderszins voor [gedaagde sub 2] kunnen worden geregeld. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [gedaagde sub 2] de lopende huur voor november 2025 heeft betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde sub 2] Nijestee voldoende perspectief kan bieden dat de huur op zichzelf in de toekomst kan worden voldaan en dat de huurachterstand op termijn kan worden ingelopen.
4.8.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat ontbinding van de huurovereenkomst jegens [gedaagde sub 2] in de genoemde omstandigheden, mede gelet op de ingrijpende gevolgen van de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde voor de minderjarige kinderen, niet proportioneel is en het woonbelang van [gedaagde sub 2] zwaarder weegt. De kantonrechter kent bijzonder gewicht toe aan de belangen van de minderjarige kinderen en ziet daarom aanleiding de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, en de daarmee samenhangende vordering tot ontruiming van het gehuurde, ten aanzien van [gedaagde sub 2] af te wijzen.
4.9.
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] oordeelt de kantonrechter anders. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet meer in het gehuurde woonachtig is en dat er geen (andere) vaste woon- of verblijfsplaats van hem bekend is. Volgens Nijestee staat [gedaagde sub 1] , zoals ook hiervoor onder 4.4. benoemd, echter nog steeds op de huurovereenkomst en is hij in die zin (formeel) nog steeds huurder, zodat Nijestee (ook) nog steeds volhardt in haar vordering jegens [gedaagde sub 1] . Zowel Nijestee als [gedaagde sub 2] hebben ter zitting verklaard dat zij er belang bij hebben dat de huurovereenkomst jegens [gedaagde sub 1] wordt ontbonden en dat hij wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, onder meer omdat hij een gevaar vormt voor [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] heeft verder (ter zitting) aangevoerd dat zij een echtscheidingsprocedure is gestart en dat de minderjarige kinderen van haar en [gedaagde sub 1] , bij haar in het gehuurde wonen. [gedaagde sub 1] is daarnaast niet op de mondelinge behandeling van 24 november 2025 verschenen, waardoor een persoonlijke toets van zijn situatie ter zitting niet mogelijk is geweest. De (kenbare) belangen van [gedaagde sub 1] wegen daarom niet op tegen het belang van Nijestee.
4.10.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de ontbinding, voor zover die vordering ziet op [gedaagde sub 1] , kan worden toegewezen. De kantonrechter zal de huurovereenkomst daarom ontbinden voor zover deze betrekking heeft op [gedaagde sub 1] . Nu [gedaagde sub 1] al niet meer in het gehuurde verblijft en de kantonrechter ervan uitgaat dat de verdeling van de bezittingen van [gedaagde sub 2] c.s. die in het gehuurde staan, in de echtscheidingsprocedure aan de orde zal komen, ziet de kantonrechter geen aanleiding [gedaagde sub 1] de verplichting op te leggen het gehuurde te ontruimen. De vordering tot ontruiming zal dus ten aanzien van beide gedaagden worden afgewezen.
4.11.
De vordering tot betaling van de verder reeds vervallen huurtermijnen zal jegens [gedaagde sub 2] c.s. worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing is vermeld. De vergoeding van het gebruik van het gehuurde tot en met de maand van ontruiming komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu de ontruiming wordt afgewezen.
De incassobedingen zijn oneerlijk
4.12.
Nijestee vordert daarnaast een bedrag van € 595,93 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt voorop dat zij de (on)eerlijkheid van bedingen over buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve dient te toetsen op grond van de Richtlijn 93/13/EEG. In artikel 14.1. en 14.2. van de algemene voorwaarden staan bedingen over de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Volgens artikel 14.1. van de algemene voorwaarden dienen [gedaagde sub 2] c.s. alle gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te betalen aan Nijestee. Artikel 14.2. van de algemene voorwaarden spreekt vervolgens van een bedrag van tenminste 15% van de vordering, met een minimum van
€ 34,00. Dit is in strijd met artikel 6:96 lid 6 BW Pro en artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Een consument is namelijk slechts incassokosten verschuldigd als aan de voorwaarden van artikel 6:96 BW Pro wordt voldaan. Bovendien is de hoogte van de incassokosten voor consumenten gemaximeerd. Een dergelijke maximering bevat artikel 14.1. en 14.2. van de algemene voorwaarden niet. Zo wordt in artikel 14.2. van de algemene voorwaarden immers gesproken over tenminste 15%, waardoor een hoger percentage kennelijk ook mogelijk is, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van [gedaagde sub 2] c.s. zouden komen. Ook is in voornoemde artikelen niet bepaald dat Nijestee eerst een zogeheten veertiendagenbrief zal sturen, voordat [gedaagde sub 2] c.s. buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn. De artikelen kunnen zo worden begrepen dat [gedaagde sub 2] c.s. zonder enige
aanmaning alle door Nijestee gemaakte kosten moet betalen, zodra [gedaagde sub 2] c.s. in verzuim zijn. Dat maakt deze bedingen naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG en van afdeling 6.5.3 BW, omdat [gedaagde sub 2] c.s. op grond van deze bepalingen meer dienen te betalen dan wettelijk is verplicht en daarmee het evenwicht uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van
[gedaagde sub 2] c.s. als consument wordt verstoord. In deze omstandigheden kan niet terug worden gevallen op de wettelijke bedragen. Om die reden vernietigt de kantonrechter de bedingen en zal zij de vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten afwijzen.
Conclusie
4.13.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde ontbinding jegens [gedaagde sub 1] zal worden toegewezen en jegens [gedaagde sub 2] zal worden afgewezen, terwijl de vordering tot ontruiming ten aanzien van beiden zal worden afgewezen. Daarnaast zal een totaalbedrag aan huurachterstand jegens [gedaagde sub 2] c.s. tot en met juni 2025 van € 4.409,94 worden toegewezen en zullen [gedaagde sub 2] c.s. worden veroordeeld in de betaling van de overige vervallen huurtermijnen tot aan vandaag. De verder gevorderde en niet bestreden wettelijke rente over de huurachterstand zal vanaf 1 juli 2025 worden toegewezen. De wettelijke rente over de verder reeds vervallen huurtermijnen zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de desbetreffende huurtermijnen.
[gedaagde sub 2] c.s. worden in de proceskosten veroordeeld
4.14.
[gedaagde sub 2] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij geldt dat, nu de vordering slechts voor een deel wordt toegewezen, de proceskosten zullen worden bepaald op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van Nijestee worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punt × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.336,45
4.15.
Voor zover Nijestee heeft bedoeld om de btw te vorderen over de hiervoor vastgestelde proceskosten zal dit deel van de vordering worden afgewezen, nu de proceskosten niet voor een vermeerdering met btw in aanmerking komen.
4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
ontbindt (gedeeltelijk) de tussen [gedaagde sub 2] c.s. en Nijestee bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] , uitsluitend en voor zover deze betrekking heeft op [gedaagde sub 1] , en laat de huurovereenkomst voor zover deze betrekking heeft op [gedaagde sub 2] ongewijzigd in stand;
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk, zodat als de één betaalt zal de ander zijn bevrijd, om aan Nijestee tegen kwijting te betalen een bedrag van € 4.409,94 aan huurachterstand tot en met juni 2025, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk, zodat als de één betaalt zal de ander zijn bevrijd, om aan Nijestee tegen kwijting te betalen de huurbedragen waarop Nijestee recht had bij nakoming van de overeenkomst, steeds te rekenen vanaf de eerste van elke maand voor iedere maand, te rekenen met ingang van juli 2025 tot de datum van dit vonnis, als huur, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de desbetreffende huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk, zodat als de één betaalt zal de ander zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.336,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
36575