ECLI:NL:RBNNE:2025:5845

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/18/248426 / FT RK 25/1030
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord wegens onvoldoende transparantie en betrouwbaarheid

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden waarbij preferente en concurrente schuldeisers een beperkt percentage van hun vorderingen zouden ontvangen. Dit akkoord werd door alle schuldeisers behalve verweerster, Stichting Woningbouw Achtkarspelen, aanvaard. Verweerster weigerde instemming vanwege haar beleid om bij zittende huurders geen akkoord te geven.

Tijdens de zitting bleek dat er na het aanbod nieuwe informatie was gekomen over openstaande belastingschulden, waaronder een preferente belastingschuld van €3.378,00 die niet was meegenomen in het oorspronkelijke akkoord. Kredietbank Nederland had het aanbod daarop aangepast, maar deze wijzigingen waren niet met alle schuldeisers gecommuniceerd.

De rechtbank oordeelt dat het aanbod daardoor niet voldoende transparant en betrouwbaar is gedocumenteerd. Bovendien is het meenemen van deze belastingschuld in het akkoord onverenigbaar met de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarin dergelijke schulden buiten het traject worden afgelost.

Gezien deze omstandigheden heeft verweerster in redelijkheid geweigerd in te stemmen met het akkoord. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord daarom af. Over het verzoek tot toelating tot de WSNP zal de rechtbank bij afzonderlijk vonnis beslissen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende transparantie en betrouwbaarheid van het aanbod.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/248426 / FT RK 25/1030

vonnis van 17 december 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] , K.v.K.-nummer [nummer] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
Stichting Woningbouw Achtkarspelen,
gevestigd te [adres] ,
hierna te noemen: verweerster.

PROCESGANG

Op 22 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 26 november 2025. Hierbij zijn verschenen de heer [naam 1] en de heer [naam 2] , beiden werkzaam bij Kredietbank Nederland, en de heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder. Namens de Stichting Woningbouw Achtkarspelen zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] . Hoewel behoorlijk opgeroepen is verzoeker niet verschenen.
Ter zitting heeft de rechtbank haar beslissing aangehouden en Kredietbank Nederland in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven over de openstaande belastingschulden en de gevolgen daarvan voor het aanbod en om een kopie van de brief van de gemeente over de verlenging van de ontheffing van de sollicitatieplicht over te leggen.
Kredietbank Nederland heeft op 1 december 2025 aanvullende informatie verstrekt.

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoeker heeft op 29 januari 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van 2,58% op de vordering van de preferente schuldeisers en 1,29% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Hiertoe wordt door de Kredietbank Nederland een saneringskrediet van maximaal € 446,57 ter beschikking gesteld.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft als reden voor het onthouden van haar instemming ter zitting opgegeven dat het haar beleid is om bij zittende huurders nooit akkoord te gaan met een aangeboden schuldregeling.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat verzoeker niet aanwezig is omdat hij is opgenomen in verband met een terugval in zijn verslaving. Verzoeker was tot 12 december 2025 door de gemeente ontheven van zijn sollicitatieplicht en deze ontheffing is met een jaar verlengd.
De heer [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat Belastingdienst na het aanbod nog belastingteruggaven heeft overgemaakt aan de beschermingsbewindvoerder van in totaal
€ 222,00, dat als extra inleg is aangeboden aan de schuldeisers. Het saldo van de openstaande belastingschulden is na het aanbod meermalen gewijzigd, waardoor er eerst een hoger percentage kon worden aangeboden aan de schuldeisers, welk percentage daarna weer naar beneden is bijgesteld.
Kredietbank Nederland heeft op 1 december 2025 meegedeeld dat de Belastingdienst op 18 september 2025 telefonisch heeft meegedeeld dat verzoeker een openstaande concurrente belastingschuld heeft van € 341,00. Daarna is op 23 oktober 2025 een verbeterd aanbod gedaan aan verweerster van 8,36 % op basis van die lagere schuld aan de Belastingdienst en een extra inleg van € 222,00. Verweerster heeft niet ingestemd met dit voorstel. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder meegedeeld dat er een nieuw openstaande preferente belastingaanslag is binnengekomen van € 3.378,00. Kredietbank Nederland heeft de schuldenlijst aangepast met deze nieuwe openstaande belastingschuld met als gevolg dat het aanbod weer gewijzigd is en neerkomt op een uitkering van 7,87 % op de vordering van de preferente schuldeiser en 3,94 % op de vordering van de concurrente schuldeisers.

BEOORDELING

De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Zo is onder meer van belang of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd.
De rechtbank stelt vast dat het kennelijk de bedoeling is om in het minnelijk traject een nieuwe schuld bij de Belastingdienst van € 3.378,00 alsnog mee te nemen, met als gevolg dat er (weer) een ander uitkeringspercentage door Kredietbank Nederland wordt gehanteerd, nadat eerder het percentage naar boven is bijgesteld na een nieuw saldo-opgave door de Belastingdienst en een extra inleg van € 222,00. Nu dit niet is gecommuniceerd met alle schuldeisers kan niet worden gesteld dat het aanbod voldoende transparant en betrouwbaar gedocumenteerd is. Verder valt een vergelijking met de wettelijke schuldsaneringsregeling niet te maken, nu deze belastingschuld in die situatie buiten het traject om zou moeten worden afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster dan ook in redelijkheid tot weigering van haar instemming met de schuldregeling kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
Op het verzoek om toelating tot de WSNP zal de rechtbank bij afzonderlijk vonnis beslissen. Verzoeker wordt verzocht om de rechtbank binnen vier weken na vandaag te laten weten of hij zijn verzoek om toelating tot de WSNP wenst te handhaven.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma, en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.